Krachten en evenwicht (Natuurkunde havo), les 3: Terugblik quiz

Touwtrekken (foto: Dan Neely, US Air Force, publiek domein)

EXAMENSTOF · C1 · KRACHTEN EN EVENWICHT

Quiz

Terugblik: Krachten en evenwicht

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4,5

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Quiz met 11 vragen over krachten, resultante, ontbinden, de eerste en derde wet en gewicht.

Onderdelen in deze les

Touwtrekken (foto: Dan Neely, US Air Force, publiek domein)

EXAMENSTOF · C1 · KRACHTEN EN EVENWICHT

Quiz

Terugblik: Krachten en evenwicht

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Tech. Sgt. Dan Neely, US Air Force / Wikimedia Commons, publiek domein

Een veer met C = 4,0·10² N/m wordt 3,5 cm uitgerekt. Bereken de veerkracht.

A

14 N

B

1,4 N

C

1,4·10³ N

D

1,1·10⁴ N

Fv = C·u = 4,0·10² × 0,035 = 14 N (twee significante cijfers). Afleiders: 1,4·10³ N (u in cm ingevuld), 1,4 N (u als 0,0035 m), 1,1·10⁴ N (C/u). Syllabus C1.3.

Welke kracht werkt altijd loodrecht op het oppervlak waarop een voorwerp steunt?

A

Schuifwrijvingskracht

B

Spankracht

C

Normaalkracht

D

Zwaartekracht

Fn staat loodrecht op het steunvlak. De schuifwrijving loopt evenwijdig aan het vlak, Fz wijst altijd recht omlaag (niet loodrecht op een helling). Syllabus C1.3.

Twee touwen trekken in tegengestelde richting aan een kist, met 30 N en 18 N. Wat is Fres?

A

48 N

B

12 N

C

35 N

D

5,4·10² N

Tegengestelde richting: 30 - 18 = 12 N, naar de kant van 30 N. Afleiders: optellen (48), Pythagoras (35, alleen bij loodrecht) en vermenigvuldigen (5,4·10²). Syllabus C1.3.

Vul in

Is de resultante nul, dan blijft een voorwerp in rust of beweegt het met constante snelheid in een rechte lijn. Dit is de eerste wet van Newton.

nul
constante snelheid
eerste wet
tweede wet
versnelling

Syllabus C1.4: eerste wet van Newton.

Een zwemmer zet zich af tegen de badwand. Welke kracht duwt de zwemmer vooruit?

A

De kracht van de zwemmer op de wand

B

De zwaartekracht op de zwemmer

C

De normaalkracht van het water

D

De kracht van de wand op de zwemmer

De zwemmer duwt op de wand (actie), de wand duwt terug op de zwemmer (reactie). Alleen de kracht op de zwemmer kan de zwemmer laten bewegen. Syllabus C1.6.

Een koffer heeft een zwaartekracht van 147 N. Bereken de massa.

A

1,4·10³ kg

B

1,5·10² kg

C

0,067 kg

D

15 kg

m = Fz/g = 147/9,81 = 14,98 kg, dus 15 kg. Afleiders: vermenigvuldigen met g (1,4·10³), de kracht als massa nemen (1,5·10²) en g delen door Fz (0,067). Controle: 15 × 9,81 = 147,2. Syllabus C1.3.

Noem twee krachten die een fietser tegenwerken.

Goed: luchtweerstand en rolweerstand (ook wrijving in de lagers of remmen schuren). Verwachte fout: spierkracht noemen, die werkt juist mee. Syllabus C1.3.

Zet op volgorde: Fz ontbinden op een helling

1

Teken Fz vanuit het aangrijpingspunt

2

Maak het parallellogram met Fz als diagonaal

3

Teken de richtingen langs en loodrecht op de helling

4

Lees de componenten af met de schaal

Syllabus C1.3: ontbinden in componenten met een parallellogram.

De uitrekking van een veer wordt twee keer zo groot. Wat gebeurt er met de veerkracht?

A

Fv wordt 4 keer zo groot

B

Fv wordt 2 keer zo groot

C

Fv blijft gelijk

D

Fv wordt 2 keer zo klein

Fv = C·u: Fv is recht evenredig met u, dus 2 keer zo groot. Fout: kwadratisch (4). Syllabus C1.3.

Welke beweging is een voorbeeld van een voorwerp in krachtenevenwicht?

A

Auto met constante snelheid in een bocht

B

Steen die van een dak naar beneden valt

C

Trein met constante snelheid rechtuit

D

Bal die recht omhoog gegooid wordt

Evenwicht betekent Fres = 0: rust of constante snelheid in een rechte lijn. In een bocht verandert de richting, bij vallen en gooien verandert de snelheid. Syllabus C1.4.

Wat is het gewicht van een persoon die op een weegschaal staat?

A

De kracht van de persoon op de weegschaal

B

De kracht van de weegschaal op de persoon

C

De massa van de persoon in kilogram

D

De zwaartekracht op de persoon in kilogram

Gewicht is de kracht die het voorwerp op de ondergrond uitoefent; de kracht van de weegschaal op de persoon is de normaalkracht (de reactiekracht ervan). Gewicht wordt in N gegeven. Syllabus C1.6.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

EXAMENSTOF · C1 · KRACHTEN EN EVENWICHT

Goed gedaan!

Je kunt nu krachten benoemen, samenstellen en ontbinden, evenwicht herkennen met de eerste wet en actie en reactie uit elkaar houden. Bekijk de vragen die je fout had nog eens in les 1.

Deze slide heeft geen instructies