H1,2,3,7,8,910

Quizz H1,2,3,7,8,9,10
1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
Paraveterinaire vakkenMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Quizz H1,2,3,7,8,9,10

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een complicatie is een
A
effect van behandeling door samenloop van omstandigheden
B
een ontsteking op de inj. plaats
C
een bijwerking
D
een overgevoeligheids reactie

Slide 2 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als dierhouder mag je diergeneesmiddelen toedienen met een
A
UDA , UCA en VRIJ status
B
UDD, UDA en VRIJ status
C
UDA, URA en VRIJ status
D
geen van deze antwoorden klopt

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Systemische toediening van geneesmiddelen kan
A
Lokaal en oraal
B
Lokaal en parenteraal
C
Oraal en parenteraal
D
Lokaal en rectaal

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is waar
A
Een poeder alleen een werkzame stof
B
Een pil kun je ook rectaal geven
C
Een tablet is makkelijker ingeven
D
Een capsule kun je openen

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De keuze van een diergeneesmiddel is afhankelijk van
A
Aandoening, houdbaarheid, beschikbaarheid
B
Aandoening, patiënt, beschikbaarheid

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

MTC is
A
Minimale toxische concentratie
B
Maximale toxische concentratie
C
Mogelijke therapeutische concentratie
D
Minimale therapeutische concentratie

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat houdt een therapeutische werking van een diergeneesmiddel in?
A
Dat het een ziek dier beter kan maken
B
Dat het een fysiologische werking kan veranderen
C
Dat het kan bijdragen bij het stellen van een diagnose
D
Dat het ervoor zorgt dat dieren niet ziek worden

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als een product gekoeld bewaard moet worden bedoelen we
A
Tussen de 2-8 graden
B
Tussen de 8-15 graden

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De apotheek controleer je 1 x per maand op
A
Houdbaarheid, bewaarcondities
B
Houdbaarheid, temperatuur, voorraad
C
Temperatuur, ventilatie, licht
D
Aanprikdata, temperatuur, voorraad

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Voor het bijhouden van de temperatuur in de apotheek gebruik je een
A
Continu temperatuur registratie
B
Minimum-Maximum thermometer
C
Maximum temperatuur registratie
D
Minimum temperatuur registratie

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Mag je vloeistoffen uitponden aan de balie?
A
Ja
B
Nee

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Via welke toedieningsroute is de opname snelheid het sneller?
A
Intra-veneus
B
Intra-musculair

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer een medicijn zich omzet in het lichaam noem deze omgezette stoffen
A
Lipofielen
B
Metabolieten

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Een geneesmiddel dat pas werkzaam wordt na omzetting noem je een
A
Soft-drug
B
Hard-drug
C
Pro-drug
D
Pre-drug

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wetgeving over diergeneesmiddelen vindt je terug het besluit
A
Diergeneeskundigen
B
Diervoeders
C
Dierlijke producten
D
Diergeneesmiddelen

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een contra-indicatie?
A
Reden om bepaalde medicatie voor te schrijven
B
Bijwerkingen die kunnen optreden bij bepaalde indicaties
C
Reactie van het lichaam op een bepaald medicijn
D
Reden om bepaalde medicatie niet voor te schrijven

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de cascade regeling voor diergeneesmiddelen
A
Regeling voor het uitgeven van diergeneesmiddelen
B
Regeling voor het kopen van diergeneesmiddelen
C
Regeling voor geneesmiddelen
D
Regeling die de behandel mogelijkheden voor DA vergroot

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is niet van belang bij de keuze van antibiotica
A
Diersoort
B
Locatie
C
Soort bacterie
D
Kanalisatiestatus

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Benoem de 3 groepen anti-microbiële middelen
timer
1:00

Slide 20 - Open vraag

antibiotica
antimycotica
antiprotozoa
Waar moet 1e keus antibiotica niet aan voldoen?
A
Darmflora minimaal verstoren
B
Goede werkzaamheid
C
Geringe kans op resistentie
D
Breed spectrum

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De wet en regelgeving van opiaten kun je terug vinden in de
A
Diergeneesmiddelen wet
B
Wet dieren
C
Diergeneesmiddelenbesluit
D
Opiumwet

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is MRSA?
timer
1:00

Slide 23 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke diersoort is extra gevoelig voor antibiotica?
A
Hond
B
Kat
C
Konijn

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Beschrijf jou rol als paraveterinair bij het voorkomen van resistentie
timer
1:00

Slide 25 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Antimycotica werkt tegen
A
Virussen
B
MRSA bacteriën
C
Schimmels
D
Protozoën

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Resistentie komt alleen bij antibiotica voor
A
Waar
B
Niet waar

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Beschrijf 3 punten waar op let bij het uitgeven van diergeneesmiddelen
timer
1:00

Slide 28 - Open vraag

Juistheid medicijn
Juistheid dosering
Houdbaarheid
Bij vaccinatie tegen DHP spuit je antilichamen in die de hond beschermen tegen
A
Distempervirus, Parvovirus, Besmettelijke leverziekte
B
Klopt helemaal niet
C
Parvovirus, Hepatitisvirus, ziekte van carree
D
Distempervirus, Hepatitis, parainfluenza

Slide 29 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kattenziekte wordt veroorzaakt door
A
Parvovirus/panleucomievirus
B
Calicivirus/herpesvirus
C
Parvovirus/feline leukemievirus
D
Calicivirus/feline leukemievirus

Slide 30 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Pups worden gevaccineerd op
A
6,7,9 weken leeftijd
B
8,9,12 weken leeftijd
C
6,10,14 weken leeftijd
D
6,9,12 weken leeftijd

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Kittens worden gevaccineerd op
A
9,12 weken leeftijd
B
6,9 weken leeftijd
C
12,14 weken leeftijd
D
6,12 weken leeftijd

Slide 32 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies