M1 tussen-n en verkleinwoorden

Hallo!
Vorige les: meervoud ZN's en tussen-n
Vandaag: herhaling tussen-n en verkleinwoorden
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Hallo!
Vorige les: meervoud ZN's en tussen-n
Vandaag: herhaling tussen-n en verkleinwoorden

Slide 1 - Tekstslide

Hoe zat het ook alweer?
Met een tussen-n?

Slide 2 - Tekstslide

Zet de stappen van het schrijven van een tussen-n in de juiste volgorde.
Stap 1
Stap 2
Stap 3
Heeft het eerste deel van de samenstelling een meervoud op -en?
Heeft het ook een meervoud op -s?
Is het eerste deel van de samenstelling een zelfstandig naamwoord?

Slide 3 - Sleepvraag

Op de volgende dia staat het stappenplan van de tussen-n.

 Neem hem goed door en maak voor jezelf aantekeningen in je schrift of pak je boek erbij op blz. 191.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Schrijf op: tarwe + bloem

Slide 6 - Open vraag

Schrijf op: vitamine + supplement

Slide 7 - Open vraag

Schrijf op: asperge + teler

Slide 8 - Open vraag

Schrijf op: fiets + stalling

Slide 9 - Open vraag

Nu heb je geoefend met de tussen-n. We gaan de aankomende slides kijken naar verkleinwoorden!

Slide 10 - Tekstslide

Schrijf het verkleinwoord op van lepel.

Slide 11 - Open vraag

Schrijf het verkleinwoord op van wang.

Slide 12 - Open vraag

Schrijf het verkleinwoord op van huis.

Slide 13 - Open vraag

Schrijf het verkleinwoord op van boom.

Slide 14 - Open vraag

Kijk eens goed naar de verkleinwoorden: lepeltje, wangetje, huisje en boompje. Wat zijn de vier uitgangen?
A
lepel, wang, huis, boom
B
tje, etje, je, pje
C
t, t, s, p
D
Alleen gebouwen hebben een uitgang!

Slide 15 - Quizvraag

Je hebt net ontdekt dat ...
je achter een woord vaak -je, -pje, -tje of -etje kunt zetten om een verkleinwoord te maken. 

Als voorbeelden hadden we huisje, boompje, lepeltje en wangetje.

Slide 16 - Tekstslide

Er zijn een paar uitzonderingen. 

Slide 17 - Tekstslide

Uitzondering 1
Woorden die eindigen op -ng hebben een verkleinwoord dat eindigt op -nkje

Woning -> woninkje 

Slide 18 - Tekstslide

Uitzondering 2
Woorden die eindigen op een laaaange klinker, krijgen die klinker extra in het verkleinwoord. 

Oma -> omaatje 
video -> videootje 
radio -> radiootje 
paraplu -> parapluutje 

Slide 19 - Tekstslide

Wat is het verkleinwoord van poging?
A
pogingje
B
pogingetje
C
poginkje
D
pogingtje

Slide 20 - Quizvraag

En het verkleinwoord van gang?
A
gankje
B
gangetje
C
gangje
D
gangtje

Slide 21 - Quizvraag

En wat is het verkleinwoord van accu?
A
accutje
B
accuutje
C
accuje
D
accupje

Slide 22 - Quizvraag

Uitzondering 3
Bij woorden die eindigen op een -i, voeg je een -e toe. 
Taxi -> taxietje

Bij woorden die eindigen op een -y (met i-klank) en -u (met oe-klank) gebruik je een apostrof.
Baby -> baby'tje
Spray -> spraytje
Sudoku -> sudoku'tje

Slide 23 - Tekstslide

Wat is het verkleinwoord van maki?
A
makitje
B
makipje
C
makietje
D
makiëtje

Slide 24 - Quizvraag

Wat is het verkleinwoord van lolly?

Slide 25 - Open vraag

Wat is het verkleinwoord van jury?
A
jury's
B
jury'tje
C
jurytje
D
juryje

Slide 26 - Quizvraag

Uitzondering 4 (de laatste!)

Cijfer- en letterwoorden krijgen een apostrof in het verkleinwoord. 

3'tje
p'tje 
mp4'tje
ING'tje

Slide 27 - Tekstslide

Wat is het verkleinwoord van VWO?
A
VWO'tje
B
VWOje
C
VWOtje
D
VWOetje

Slide 28 - Quizvraag

Wat is het verkleinwoord van 4?
A
4je
B
4tje
C
4etje
D
4'tje

Slide 29 - Quizvraag

Je gaat nu aan de slag met opdrachten


Je gaat naar Blok 4 - Spelling. 

Je maakt de opdrachten die beginnen met 27. 

Ben je klaar? Dan maak je een socrative. Ga naar socrative.com -> login -> student login. Je vult de roomname in: TKEM1 en daarna je voornaam en achternaam. Je maakt zo veel mogelijk opdrachten, maar neem ook je tijd en werk de socrative niet gehaast door. 

Slide 30 - Tekstslide