oogaandoeningen

OOGAANDOENINGEN
1 / 41
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 41 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

OOGAANDOENINGEN

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
  • je kunt drie toedieningsvormen noemen die worden gebruikt bij aandoeningen van het oog
  • je kunt uitleggen wat er gebeurt als de zuurgraad van een oogdruppel sterk afwijkt van het traanvocht
  • je kunt een correcte afleverinstructie voor een oogdruppel verzorgen
  • je kunt twee voor- en twee nadelen van een conserveermiddel in een oogdruppel noemen
  • je kunt twee antibacteriële middelen noemen die lokaal worden toegepast in het oog 
  • je kunt beschrijven waar de behandeling van glaucoom op gericht is en welke geneesmiddelen bij glaucoom worden gebruikt

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je al van het oog?
anatomie, oogaandoeningen,
geneesmiddelen enz.

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Anatomie van het oog (iets ander plaatje dan in het boek, maar deze onderdelen moet je kunnen benoemen)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is een ander woord voor oculentum?
A
oogdruppel
B
oogwassing
C
oogzalf
D
ooggel

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Behandeling: 
  • Oogdruppels (oculoguttae)
  •  Oogzalf (oculentum)
  •  Ooggel
  •  Oogwassing/ spoelvloeistof (Collyrium)



Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de eisen die aan oogmedicatie worden gesteld?
A
steriel; pH 3,5-10,4; isotoon; geconserveerd
B
steriel; pH 2,5-11,4; isotoon, geconserveerd
C
steriel; pH 3,5-10,4; hypertoon; geconserveerd
D
steriel; pH 3,5-10,4; hypotoon; geconserveerd

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Isotone oplossing
* Definitie: Een oplossing met dezelfde concentratie opgeloste stoffen als het cytoplasma van de cel.
* Effect op cellen: Geen netto waterbeweging. De cel handhaaft zijn normale vorm en grootte.
* Voorbeeld: Normale zoutoplossing (0,9% NaCl) is isotone voor menselijke rode bloedcellen.
2. Hypotone oplossing
* Definitie: Een oplossing met een lagere concentratie opgeloste stoffen dan het cytoplasma van de cel.
* Effect op cellen: Water beweegt van de hypotone oplossing in de cel, waardoor de cel zwelt en mogelijk barst (lyse).
* Voorbeeld: Puur water is hypotonisch voor cellen.
3. Hypertonische oplossing
* Definitie: Een oplossing met een hogere concentratie opgeloste stoffen dan het cytoplasma van de cel.
* Effect op cellen: Water beweegt van de cel naar de hypertonische oplossing, waardoor de cel krimpt (Crenate).
Contactlensvloeistoffen
aan dezelfde eisen voldoen als oogdruppels
verschil: gezonde ogen (toch vaak irritatie aan oogslijmvlies)

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oogdruppels bij contactlensdragers
Het is dan belangrijk dat je: 
  • druppelt voordat je je lenzen indoet ’s morgens, en ’s avonds na het uitdoen
  • bij vaker druppelen per dag steeds de lenzen uitdoet
  • harde en zachte lenzen mag je 15 minuten na het druppelen pas weer indoen
  • wanneer je 3 keer per dag of vaker moet druppelen wordt geadviseerd geen zachte lenzen te dragen. Het conserveermiddel in de oogdruppels kan schadelijk zijn voor zachte lenzen
  • na het gebruik van oogzalf 8 uur lang geen lenzen draagt

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gebruik van medicatie
Oogdruppels: 
  • 1 druppel per keer in onderste ooglid
  • 5 minuten tussen verschillende geneesmiddelen
  • Na het druppelen: traanbuis 1 minuut dichthouden, daarna een paar keer knipperen
Oogzalf: 
  • Speciale oogzalftube met punt
  • Betere hechting aan oog, langere werking
  • Nadeel: wazig zicht, dus voor de nacht
Ooggel: 
  • Tussenoplossing, goed toe te dienen en makkelijke hechting aan het oogslijmvlies


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Gebruik van medicatie

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Video

Deze slide heeft geen instructies

De verschijnselen zijn roodheid, branderig gevoel, tranen en jeuk.
Over welke oogaandoening gaat dit?
A
lui oog
B
glaucoom
C
ooginfectie
D
irritatie van de ogen

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Oogaandoeningen 
De oogaandoeningen die aan bod komen zijn:
  •  Irritatie
  •  Ontstekingen en overgevoeligheid
  • Infecties
  •  Glaucoom

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke oogaandoening veroorzaakt De volgende verschijnselen: roodheid, branderig gevoel, tranen en jeuk.
A
lui oog
B
. glaucoom
C
ooginfectie
D
irritatie van de ogen

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Oogaandoeningen:
Irritatie
Oorzaken: o.a. door droge of rokerige lucht, vermoeidheid, contactlenzen, conserveermiddelen
                      in contactlensvloeistoffen
Verschijnselen: roodheid, branderig gevoel, tranen en jeuk
Irritatie door droge ogen: te weinig aanmaak van traanvocht. Droge ogen kunnen voorkomen bij mensen met ziekten waarbij immuunsysteem betrokken is (bv ziekte van Sjögren door o.a. verminderde productie van traanvocht). Ook vrouwen in de menopauze hebben meer kans op oogirritatie door een verminderde productie van traanvocht
Preparaten: Bij droge ogen of irritatie door contactlenzen worden kunsttranen gebruikt. Dit zijn isotone oplossingen met een verdikkingsmiddel (polyvidon, carbomeer) voor een betere hechting aan het oogslijmvlies.


Slide 18 - Tekstslide

Ziekte van Sjogren: ontsteking aan traan- en speekselklieren -> droge ogen en mond (auto-immuunziekte)

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke geneesmiddelen worden gebruikt bij overgevoeligheidsreacties van de ogen?
A
timolol
B
atropine
C
levocabastine
D
fucidinezuur

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oogaandoeningen: Ontstekingen en overgevoeligheid

Oorzaken van ontstekingen: overgevoeligheidsreacties op bepaalde stoffen of prikkels of infecties.

Verschijnselen: roodheid, pijn, tranenvloed, gezwollen oogleden. 
Bij overgevoeligheidsreacties meestal ook verschijnselen van neusverkoudheid, zoals niezen, jeuk of een loopneus.

Preparaten:
Overgevoeligheidsreacties: cromoglicinezuur, azelastine of levocabastine.
Cromoglicinezuur -> minimaal vier maal per dag, voordat de allergische klachten optreden.
Azelastine en Levocabastine -> antihistaminicum
Ernstige oogontsteking niet door infectie veroorzaakt -> oogarts. Dan vaak oogdruppels of oogzalf met corticosteroïden zoals prednisolon of dexamethason
Om ontstekingen na een staaroperatie te voorkomen > oogdruppels met ontstekingsremmende pijnstiller (NSAID) -> diclofenac, broomfenac


Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Oogaandoeningen: Infectie:

Oorzaken: bacteriën, schimmels of virussen
Verschijnselen: roodheid, evt. viezigheid aan wimpers, pus, pijn
Preparaten:
Antibacteriële middelen:
  •  chlooramfenicol oogdruppels (ook als minim) of oogzalf.
  •  fusidinezuur ooggel
Antivirale middelen (middelen bij virusinfecties) 
  • aciclovir oogzalf

Bijzonderheden:
Bij uitwendig gebruik kans op sensibilisatie, met als gevolg overgevoeligheid.
Vaak antibacteriële middelen gecombineerd met corticosteroïden vanwege de ontstekingsremmende werking. Maar dan gebruik je de antibiotica (max 2 weken) te lang en als je op tijd stopt, de corticosteroïden (min 2 weken) te kort.



Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat hoort niet bij glaucoom:
A
verlaagde oogboldruk
B
gezichtsveld kleiner
C
afsterven oogzenuw

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Tekstslide

De oogzenuw vervoert elektrische signalen van het netvlies naar de hersenen. In de hersenen worden de signalen omgezet in beelden. Raakt de oogzenuw beschadigd, dan ontstaan er blinde vlekken in het beeld. Die blinde vlekken worden steeds groter als u het glaucoom niet laat behandelen. Zonder behandeling ontstaat heel langzaam (vaak pas na jaren) blijvend verlies van uw gezichtsveld.
Pupilvernauwing: vaatjes die overtollig vocht af laten vloeien zijn beter bruikbaar

Oogaandoeningen: Glaucoom
= oogziekte die gepaard gaat met verhoging van de oogboldruk
Oorzaken: onbekend
Verschijnselen: verhoging van de oogboldruk > bloedvoorziening van de oogzenuw in de knel > schade aan de oogzenuw (kleiner gezichtsveld)
Behandeling: de druk in het oog verlagen. 
Door: 
- de afvoer van kamerwater te vergemakkelijken
- de aanmaak van oogkamerwater te verminderen


Slide 27 - Tekstslide

De oogzenuw vervoert elektrische signalen van het netvlies naar de hersenen. In de hersenen worden de signalen omgezet in beelden. Raakt de oogzenuw beschadigd, dan ontstaan er blinde vlekken in het beeld. Die blinde vlekken worden steeds groter als het glaucoom niet wordt behandeld. Zonder behandeling ontstaat heel langzaam (vaak pas na jaren) blijvend verlies van het gezichtsveld.
Pupilvernauwing: vaatjes die overtollig vocht af laten vloeien zijn beter bruikbaar

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Glaucoom
Preparaten: 
β-blokkers (betasympathicolytica): timolol  
  • werkingsmechanisme: verminderen aanmaak van kamerwater
koolzuuranhydraseremmers: dorzolamide 
  • werkingsmechanisme: verminderen aanmaak van kamerwater
prostagladineagonisten: latanoprost
  • werkingsmechanisme: bevorderen afvoer kamerwater
sympaticomimeticum: brimonidine 
  • werkingsmechanisme: bevorderen afvoer kamerwater en remmen aanmaak van kamerwater
parasympaticomimeticum: pilocarpine 
  • werkingsmechanisme: door pupilvernauwing zijn de vaatjes die het overtollige vocht moeten afvloeien, beter  bruikbaar (bevorderen afvoer kamerwater)
 Er zijn ook combinaties van verschillende stoffen in de handel.




Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

timolol
latanoprost
brimonidine
verminderen aanmaak kamerwater
bevorderen afvoer kamerwater
bevorderen afvoer kamerwater en remmen aanmaak van kamerwater
betablokker
prostaglandineagonist
sympaticomimeticum

Slide 31 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Tekst

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 33 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 34 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoe lang moet je de traanbuis dichtdrukken na het druppelen in het oog?
A
een halve minuut
B
1 minuut
C
2 minuten
D
5 minuten

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel tijd moet er tussen het gebruik van verschillende soorten oogdruppels zitten, als je gelijktijdig verschillende soorten oogdruppels gebruikt?

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 37 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
Zijn ze behaald?

Slide 40 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vragen? 

Slide 41 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies