Pedagogische visies

Pedagogische visies

1 / 31
volgende
Slide 1: Slide
newEditorPedagogiekMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Pedagogische visies

Leerdoel van deze les

Aan het einde van deze les kun je uitleggen wat een pedagogische visie is, verschillende stromingen herkennen en de visie van jouw stageplek analyseren.

Terugblik op vorige week

  • Interactieve vaardigheden, welke waren dit ook alweer?

  • Sensitieve responsiviteit, respect voor de autonomie, structureren en grenzen stellen, praten en uitleg geven, ontwikkeling stimuleren, begeleiden van interacties 

  • Vijf fasen van Tuckman, welke waren dit ook alweer?

  • Forming, storming, norming, peforming, adjourning

Wat is een pedagogische visie?

  • Een pedagogische visie geeft aan hoe er naar kinderen, opvoeding en leren kan worden gekeken of worden toegepast.

  • Wat jij belangrijk vindt voor kinderen (bijv. veiligheid, zelfstandigheid, creativiteit).

  • Hoe jij met kinderen omgaat (bijv. rustig, duidelijk, veel keuze geven).

  • Hoe de omgeving eruitziet (bijv. veel vrijheid of juist structuur).

  • Welke regels en afspraken je gebruikt.

    In de praktijk:

  • “Hoe vinden wij dat je kinderen het beste kunt begeleiden, opvoeden en laten leren?”

Maria Montessori

  • Kinderen krijgen de ruimte om zelfstandig te leren.

  • Materialen zijn uitnodigend en uitdagend.

  • De begeleider ondersteunt waar nodig.


"Leer mij het zelf te doen"

  • KDV: Een PM’er helpt niet direct, maar zegt: “Kijk eens of je het zelf kunt proberen.”

  • OA: Kinderen kiezen zelf met welke taak ze beginnen (bijv. rekenen, taal, lezen).

Rudolf Steiner (vrije school)

  • Veel aandacht voor kunst, creativiteit en dagritme.

  • Leren door doen en uitgaan van de leefwereld van het kind.

  • Veel aandacht voor kunst, muziek, natuur, fantasie en vaste dagritmes.

  • KDV: Kinderen maken zelf een broodje en leren zo wegen, kneden, wachten.

  • OA: Kinderen leren rekenen door echte dingen te doen: boodschappenlijstje maken, meten, wegen.





  • Kind als onderzoeker.

  • Omgeving rijk en inspirerend.

  • Samen ontdekken en onderzoeken.

Reggio Emilia (Loris Malazzi)

  • KDV: Kind zoekt uit: “Wat blijft drijven?” → PM’er geeft materialen en observeert.

  • OA: OA stelt onderzoeksvragen zoals: “Wat denk jij dat er gebeurt als…?”

Emmi Pikler

  • Rust, ritme en respectvolle verzorging.

  • Baby’s zoveel mogelijk zelf laten ontdekken.

  • Vooral voor baby’s; respectvolle aandacht; niet haasten; kind volgt eigen tempo.


  • KDV: Bij verschonen praat de PM’er stap-voor-stap met de baby.

  • OA: Rustig tempo bij kleuters: eerst contact maken, dan helpen.

Thomas Gordon

  • Communiceren op ooghoogte met het kind.

  • Gebruik van ik-boodschappen.

  • Respectvolle communicatie, actief luisteren, grenzen stellen met ik-boodschappen.


  • KDV: Kind duwt een ander → PM’er zegt: “Ik schrik hiervan, want ik wil dat iedereen veilig speelt.”

  • OA: OA gebruikt ik-boodschappen: “Ik merk dat ik last heb van het lawaai, waardoor ik niet goed kan uitleggen.”

Jean Piaget

  • Kinderen denken anders dan volwassenen.

  • Kinderen leren in fases; passend bij wat een kind kan begrijpen.

  • Ze hebben concreet materiaal nodig

  • Vooral in het onderwijs.


  • OA: Rekenen met concreet materiaal bij jonge kinderen (blokjes tellen).

  • KDV: Peuters leren door te doen, niet door uitleg → ze mogen zelf proberen.

Lev Vygotsky

  • Kinderen leren door samen te werken en door een beetje hulp van een volwassene.

  • Zone van naaste ontwikkeling; kan het al zelf, kan het nog niet, maar wel met een beetje hulp.

  • Volwassen geeft 'steuntjes' (scaffolding).

  • Taal helpt bij leren.


  • KDV: Tijdens het knutselen stel je vragen:
    “Wat heb je nodig om het vast te plakken?”
    → Kind denkt verder en leert.

  • OA: Jij doet eerst een voorbeeld, daarna doet de leerling het zelf.

De vijf teamfases van Tuckman

1

Storming 

2

Performing 

3

Forming 

4

Adjourning 

5

Norming 

Welke van de onderstaande opties hoort NIET bij de zes interactievaardigheden?

A

Sensitieve responsiviteit

B

Stimuleren van de ontwikkeling

C

Structureren en begeleiden

D

Fysieke zelfstandigheid

Wat houdt ‘sensitieve responsiviteit’ in?

A

Kinderen stimuleren om nieuwe activiteiten te proberen

B

Kinderen laten samenwerken

C

Structuur bieden in het dagritme

D

Gevoelig zijn voor signalen van kinderen

Welke interactievaardigheid zorgt voor rust, duidelijkheid en voorspelbaarheid?

A

Begeleiden van interacties tussen kinderen

B

Respect voor autonomie

C

Praten en uitleggen

D

Structureren en begeleiden

Wat is een voorbeeld van 'respect voor autonomie'?

A

Alleen praten wanneer het kind praat

B

Een kind dwingen om mee te doen

C

Activiteiten verplichten

D

Een kind laten kiezen welke activiteit het doet

Welke interactievaardigheid stimuleert taalontwikkeling direct?

A

A. Praten en uitleggen

B

D. Sensitieve responsiviteit

C

B. Structureren en begeleiden

D

C. Respect voor autonomie

Wat houdt ‘begeleiden van interacties tussen kinderen’ in?

A

C. Kinderen helpen samenwerken en conflicten oplossen

B

B. Conflicten negeren

C

D. Alleen uitleg geven

D

A. Kinderen alleen laten spelen

Welke opvoedingsvaardigheid biedt duidelijke regels?

A

C. Autonomie-ondersteuning

B

B. Structuur bieden

C

D. Positieve betrokkenheid

D

A. Emotionele ondersteuning

Welke opvoedingsvaardigheid helpt kinderen zich veilig te voelen?

A

B. Emotionele ondersteuning

B

A. Discipline geven

C

D. Onafhankelijkheid stimuleren

D

C. Grenzen overschrijden

Wat is een voorbeeld van autonomie-ondersteunend opvoeden?

A

A. Kinderen laten kiezen

B

C. Keuzes beperken

C

D. Een strakke routine afdwingen

D

B. Kinderen belonen voor gehoorzaamheid

Wat gebeurt er vooral in de Storming-fase?

A

A. Harmonie en samenwerking

B

C. De groep valt uiteen

C

B. Conflicten en meningsverschillen

D

D. Doelen worden vastgesteld

Welke fase wordt gekenmerkt door duidelijke rollen en een positief groepsgevoel?

A

C. Norming

B

D. Performing

C

A. Forming

D

B. Storming

In welke fase is de groep het meest productief?

A

B. Performing

B

D. Forming

C

A. Norming

D

C. Storming

Wat is typisch voor de Forming-fase?

A

Grenzen testen

B

Afscheid nemen

C

Veiligheid en kennismaken

D

Hoge zelfstandigheid

Welke pedagoog hoort bij de Zone van Naaste Ontwikkeling?

A

C. Vygotsky

B

D. Bandura

C

B. Montessori

D

A. Piaget

Wat bedoelt Montessori met 'Leer mij het zelf te doen'?

A

A. Kinderen moeten vooral stil zitten

B

D. De docent doet alles voor

C

B. Kinderen mogen eerst kijken en dan nadoen

D

C. Kinderen krijgen de tijd om zelf dingen te proberen

Welke visie past bij Pikler?

A

B. Baby’s in hun eigen tempo laten ontwikkelen, met rust en aandacht

B

D. Structuur en regels staan centraal

C

A. Veel creatieve hoeken en ontdekmateriaal

D

C. Kinderen leren door te imiteren

Hoe leren kinderen volgens Bandura?

A

C. Door naar elkaar te kijken en na te doen (modelleren)

B

D. Door rekenen met concreet materiaal

C

B. Door te ontdekken via creatief materiaal

D

A. Door te luisteren naar lange uitleg

Welke uitspraak past het beste bij Reggio Emilia?

A

A. Het kind leert vooral door herhaling en regels

B

B. Het kind is een onderzoeker en de omgeving moet uitdagen om te ontdekken

C

C. Het kind leert door strakke ritmes en vaste structuren

D

D. Het kind leert alleen door te kijken naar volwassenen

Visie in de praktijk (van jouw stageplek)

  • Onderzoek welke pedagogische visie jouw stageplek officieel heeft en vergelijk dat met wat je in de praktijk ziet. Geef concrete voorbeelden.

  • Welke voorbeelden zie je op jouw stage die laten zien dat er over opvoeden en leren is nagedacht?

  • Denk hierbij aan: structuur, vrijheid, regels, materiaalgebruik, communicatie met ouders), de omgang met kinderen, inrichting van de ruimte, de activiteiten, regels etc.