Examen schrijven & lezen/luisteren - les 3

Examenvoorbereiding 
Nederlands 

Schrijven
Lezen/luisteren
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Examenvoorbereiding 
Nederlands 

Schrijven
Lezen/luisteren

Slide 1 - Tekstslide

Nederlands
Lezen/luisteren:
Herhaling
Intensief lezen
Standpunt & argument

Schrijven:
Betoog verder afmaken


Slide 2 - Tekstslide

Berekening diplomacijfer Nederlands
lezen en luisteren (COE) 
50%
spreken
gesprekken schrijven
50%
+
: 2

Slide 3 - Tekstslide

* Niveau 3F (havo/mbo niveau 4)
* Lezen/luisteren
* Schrijven
* Spreken/gesprekken
* #OO Examinering 2019-2020 Herman Brood Academie;
* Examenbureau

Slide 4 - Tekstslide

Lezen/luisteren

Slide 5 - Tekstslide

Welke tekstsoort?
A
informatieve tekst
B
betogende tekst
C
instructieve tekst
D
verhalende tekst

Slide 6 - Quizvraag

Welke tekstsoort?
A
informatieve tekst
B
overtuigende tekst
C
instructieve tekst
D
verhalende tekst

Slide 7 - Quizvraag

Welke tekstsoort?
A
informatieve tekst
B
betogende tekst
C
instructieve tekst
D
verhalende tekst

Slide 8 - Quizvraag

Welke tekstsoort?
A
informatieve tekst
B
betogende tekst
C
instructieve tekst
D
verhalende tekst

Slide 9 - Quizvraag

Welke tekstvorm hoort bij het tekstdoel ' overtuigen'.
A
ingezonden brief
B
reclamefolder
C
nieuwsbericht
D
roman

Slide 10 - Quizvraag

Welk van de onderstaande teksten heeft als voornaamste doel om te informeren?
A
gedicht
B
anekdote
C
handleiding
D
nieuwsbericht

Slide 11 - Quizvraag

Welk van de onderstaande teksten heeft als voornaamste doel om te informeren?
A
gedicht
B
anekdote
C
handleiding
D
nieuwsbericht

Slide 12 - Quizvraag

Lees de tekst.

Slide 13 - Tekstslide

Wat is het doel van de tekst?
A
informeren
B
amuseren
C
overtuigen
D
activeren

Slide 14 - Quizvraag

Het onderwerp en de hoofdgedachte zijn hetzelfde
A
Waar
B
Niet waar

Slide 15 - Quizvraag

Als je de betekenis van een woord in een tekst niet kent, kan je....
A
Het overslaan
B
De vraag niet beantwoorden
C
De zin ervoor en erna lezen
D
Het vragen aan je buurvrouw/buurman

Slide 16 - Quizvraag

 Opdracht: lees de tekst en beantwoord daarna vragen

Slide 17 - Tekstslide


 Welke twee signaalwoorden zitten er in zin 2?
A
ze - aan
B
aan - met
C
toen - haal
D
eerst - toen

Slide 18 - Quizvraag


 Welk woord hoort op het stippellijntje?
 In een tekst zijn er ...... tussen woorden,  
 zinnen en alinea’s.
 

 Vraag 1 van 6
A
leestekens
B
teksten
C
verbanden
D
regels

Slide 19 - Quizvraag


 Hoe noem je woorden die wijzen op een 
 verband tussen zinnen of alinea’s?
 Vraag 2 van 6
A
trefwoorden
B
synoniemen
C
signaalwoorden
D
uitdrukkingen

Slide 20 - Quizvraag


 Op welk tekstverband wijzen de   
 signaalwoorden maar, toch en echter?
 Vraag 3 van 6
A
opsomming
B
tegenstelling
C
reden
D
conclusie

Slide 21 - Quizvraag


 Op welk tekstverband wijzen de   
 signaalwoorden want en omdat?
 Vraag 4 van 6
A
opsomming
B
conclusie
C
tegenstelling
D
reden

Slide 22 - Quizvraag


 Om welk tekstverband gaat het hier?
 Ik kreeg een hapje en een drankje. 
 Vraag 6 van 6
A
reden
B
opsomming
C
oorzaak-gevolg
D
tegenstelling

Slide 23 - Quizvraag


 Op welk tekstverband wijzen de  
 signaalwoorden daardoor en zodat?
 Vraag 5 van 6
A
oorzaak-gevolg
B
opsomming
C
conclusie
D
tegenstelling

Slide 24 - Quizvraag

 Opdracht 

Slide 25 - Tekstslide


“Wanneer het volle maan is  
 en de maan het  dichtst bij  
 de aarde staat ...” Van welk  
 tekstverband is hier sprake? 
A
volgorde in tijd
B
tegenstelling
C
oorzaak-gevolg
D
opsomming

Slide 26 - Quizvraag


 Welk signaalwoord dat wijst o
 het tekstverband oorzaak-gevolg 
 staat in zowel zin 4 als 7?

Slide 27 - Open vraag

 Opdracht

Slide 28 - Tekstslide

Signaalwoord
Geen signaalwoord
 
   ook

   aan

  word

   zo

  door

  slecht

Slide 29 - Sleepvraag

Tekstverband = uitleg
Tekstverband = opsomming
Tekstverband = tegenstelling
 
   ook

  bijvoorbeeld

    zo

    maar

Slide 30 - Sleepvraag

Vragen over tekstindeling

opdracht 2
- onderwerp
- alinea's
- deelonderwerpen
- signaalzin
ander tussenkopje bedenken
- aantal alinea's slot
- aansporing, advies, conclusie, oplossing, samenvatting

Slide 31 - Tekstslide

Lezen/luisteren

Om je goed voor te bereiden op het examen lezen en luisteren, focussen we ons iedere week op een ander thema.

Deze week: Intensief lezen / standpunt & argument

Starttaal online 3F – Opbouwopdrachten

Lezen:
- Intensief lezen: opdracht 1
- Standpunt & argument herkennen: opdracht 4

Luisteren:
- Intensief luisteren: opdracht 1


Slide 32 - Tekstslide

Schrijfvaardigheid

Slide 33 - Tekstslide

Schrijfvaardigheid 3F
Zakelijke e-mail
Betoog
Een mail schrijven over een onderwerp dat gegeven wordt.
Je schrijft de mail naar een bepaalde organisatie.

Een betoog is een artikel waarin je de lezer van je standpunt overtuigt door een of meer geldige argumenten voor het standpunt te geven. Je kunt in een betoog ook een tegenargument noemen en ontkrachten.

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Slide 37 - Tekstslide

Slide 38 - Tekstslide

Inleiding
- onderwerp introduceren
- aandacht lezer trekken
- benoemen stelling en standpunt
Kernalinea 1
Argument 1 uitwerken 
'ten eerste', 'allereerst' 
Kernalinea 2
Argument 2 uitwerken
'ten tweede', 'daarnaast', 'bovendien'
Kernalinea 3
Tegenargument uitwerken en direct weerleggen door goede ontkrachting
Slot
Conclusie geven
'dus', 'kortom'
Opbouw betoog

Slide 39 - Tekstslide

Betoog

Je hebt een stelling gekozen en je schrijfplan ingevuld. Als het goed is ben je gestart met je betoog.
Je gaat je betoog verder afmaken. Jouw betoog moet de volgende onderdelen bevatten:
  • inleiding
  • middenstuk (min. 2 argumenten voor en 1 argument tegen)
  • slot

Slide 40 - Tekstslide