BLB Lowan thema 7 de omgeving dag 3

de omgeving
1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1,2

In deze les zitten 40 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

de omgeving

Slide 1 - Tekstslide

Wat ga ik leren?
Nieuwe woorden bij thema de omgeving.

Slide 2 - Tekstslide

Luister goed!

Slide 3 - Tekstslide

de straat

Slide 4 - Tekstslide

de stoep/ het trottoir
de stoep/het trottoir

Slide 5 - Tekstslide

het fietspad
het fietspad

Slide 6 - Tekstslide

de fiets

Slide 7 - Tekstslide

de scooter

Slide 8 - Tekstslide

de auto

Slide 9 - Tekstslide

de vrachtwagen

Slide 10 - Tekstslide

de bus

Slide 11 - Tekstslide

de trein

Slide 12 - Tekstslide

het verkeersbord

Slide 13 - Tekstslide

het kruispunt
het kruispunt

Slide 14 - Tekstslide

het zebrapad
het zebrapad

Slide 15 - Tekstslide

de rotonde
de rotonde

Slide 16 - Tekstslide

het verkeerslicht/ het stoplicht

Slide 17 - Tekstslide

de lantaarnpaal
de lantaarnpaal

Slide 18 - Tekstslide

Luister goed en zeg het woord na.

Slide 19 - Tekstslide

de straat

Slide 20 - Tekstslide

de stoep/ het trottoir
de stoep/het trottoir

Slide 21 - Tekstslide

het fietspad
het fietspad

Slide 22 - Tekstslide

de fiets

Slide 23 - Tekstslide

de scooter

Slide 24 - Tekstslide

de auto

Slide 25 - Tekstslide

de vrachtwagen

Slide 26 - Tekstslide

de bus

Slide 27 - Tekstslide

de trein

Slide 28 - Tekstslide

het verkeersbord

Slide 29 - Tekstslide

het kruispunt
het kruispunt

Slide 30 - Tekstslide

het zebrapad
het zebrapad

Slide 31 - Tekstslide

de rotonde
de rotonde

Slide 32 - Tekstslide

het verkeerslicht/ het stoplicht

Slide 33 - Tekstslide

de lantaarnpaal
de lantaarnpaal

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Je ziet het woord in het Nederlands.
Schrijf het woord ernaast in jouw taal. 

Slide 37 - Tekstslide

Maak je werkboek dag 3.

Klaar? 
  1. Quizlet oefenen
  2. Stenvert maken

Iedereen klaar? Nakijken.
Aan de slag

Slide 38 - Tekstslide

Leesboekje
Technisch lezen in tweetallen
Doel: uitspraak oefenen

Lees bladzijde 2, 3 en 4.

Pak een papier. Geef antwoord op de vragen op de volgende dia.

Slide 39 - Tekstslide

Ik pin bij de kassa in de winkel.
Nora rijdt met de scooter naar het voetbalveld.
Henk betaalt €15,- bij de bioscoop.
De tieners dansen in de disco.
De vrienden fietsen naar het zwembad.
De ziekenwagen rijdt naar het ziekenhuis.
De bushalte is voor het station.
De bibliotheek is naast de kerk.
Mijn ouders gaan op vrijdag naar de moskee.
We gaan op zondag naar de kerk.
Bij het voetbalveld is ook een zwembad. 
  1. Wat doe ik bij de kassa?
  2. Wie rijdt met de scooter?
  3. Hoeveel betaalt Henk bij de bioscoop?
  4. Waar dansen de tieners?
  5. Hoe gaan de vrienden naar het zwembad?
  6. Waar gaat de ziekenwagen heen?
  7. Wat is het voorzetsel in deze zin?
  8. Wat is het voorzetsel in deze zin?
  9. Wanneer gaan we naar de moskee?
  10. Wat zijn de voorzetsels in deze zin?
  11. Wat is het voorzetsel in deze zin?

Slide 40 - Tekstslide