1. Verschillende soorten winkels (bloemist, boekenwinkel, viswinkel, slager, bakker, telecomwinkel, speelgoedwinkel, schoenenwinkel, opticien of brillenwinkel, kledijwinkel, supermarkt, elektrowinkel, dierenspeciaalzaak, krantenwinkel, apotheker) benoemen. (ONTHOUDEN)
2. De meest courante producten per winkel (bloemist, boekenwinkel, viswinkel, slager, bakker, telecomwinkel, speelgoedwinkel, schoenenwinkel, opticien of brillenwinkel, kledijwinkel, supermarkt, elektrowinkel, dierenspeciaalzaak, krantenwinkel, apotheker) herkennen. (ONTHOUDEN)