In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.
Lesduur is: 50 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Samengestelde grootheden
Slide 1 - Tekstslide
Welke eenheid hoort bij de grootheid?
temperatuur
massa
inhoud
tijd
lengte
hoekgrootte
oppervlakte
snelheid
licht
geluid
windsnelheid
graden Celsius
gram
kilometer per uur
graden
liter
vierkante meter
meter
decibel
meter per seconde
lux
seconde
Slide 2 - Sleepvraag
jouw snelheid
Wat is de hoogste snelheid die je ooit beleefde met een wagen?
Wat is de hoogste snelheid die jij kan behalen met de fiets?
In welke tijd loop jij 100 meter?
Slide 3 - Tekstslide
Hoe druk je snelheid uit?
A
kwh
B
km/uur
C
mol
D
kg
Slide 4 - Quizvraag
Wat betekent gemiddelde snelheid?
A
Dat het de werkelijke snelheid is op het moment zelf.
B
Een snelheid die is berekend over een bepaalde afstand en tijd.
C
De snelheid die je hebt op het midden van de afstand
Slide 5 - Quizvraag
Slide 6 - Video
Hoe snel liep usain bolt
A
40 km/u
B
45 km/u
C
50 km/u
D
55 km/u
Slide 7 - Quizvraag
Wat is de gemiddelde snelheid van een leeuw?
A
100 km/uur
B
80 km/uur
C
65 km/uur
D
35 km/uur
Slide 8 - Quizvraag
Wat is de gemiddelde snelheid van een slak?
A
20 m/ uur
B
10 m/uur
C
3 m/uur
D
5 m/ uur
Slide 9 - Quizvraag
Wat is de gemiddelde snelheid van een nijlpaard?
A
25 km/uur
B
55 km/uur
C
30 km/uur
D
62 km/uur
Slide 10 - Quizvraag
Welke snelheid bereikt licht?
A
200 000 km/s
B
300 000 km/s
C
400 000 km/s
D
500 000 km/s
Slide 11 - Quizvraag
snelheid berekenen
Slide 12 - Tekstslide
Formule toepassen
afstand = snelheid x tijd
... km = 80 x 20
60
Slide 13 - Tekstslide
Een hogesnelheidstrein heeft een gemiddelde snelheid van 140 km/uur. Hij legt 210 km af. Hoelang duurt de rit?
A
1,5 uur
B
1 uur 20 minuten
C
2 uur
D
geen idee
Slide 14 - Quizvraag
Thibo heeft zonet twee uur in de auto gezeten om zijn grootmoeder te bezoeken. Zij woont 110 km van zijn thuis verwijderd. Wat was de gemiddelde snelheid van de wagen?
A
50 km/ uur
B
55 km/uur
C
110 km/ u
D
220 km/u
Slide 15 - Quizvraag
concentratie
= hoeveelheid stof oplost in een hoeveelheid oplossing
Slide 16 - Tekstslide
In mijn tasje koffie van 200 ml doe ik een klontje suiker van 10g. Wat is de concentratie g/l?
A
20g/l
B
25g/l
C
50 g/l
D
100g/l
Slide 17 - Quizvraag
Een blik Fanta (33cl) bevat 4 klontjes suiker van 5g. Bereken de concentratie g/l. Rond af tot op 1 cijfer na de komma.