Examentraining H5 2026

1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 6

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Wanneer gaat het gebeuren?
Woensdag 20 mei
9.00 - 11.30 uur

Slide 2 - Tekstslide

Wat wil Cito weten ?
1. De grote lijn : Snap je wat er staat. Heb je ongeveer een idee wat er van alinea tot alinea gebeurt. (Levert 5,5/6 op)
2. Signaalwoorden. Je moet ze zien in de tekst dus leren. 
Analyse: wat voor een soort woord is het ? 
Maar = tegenstelling

Slide 3 - Tekstslide

Tekstsoorten
  • korte teksten
  • lange teksten
  • gatenteksten
  • scanteksten 

Slide 4 - Tekstslide

Stappenplan tekstverklaren 
  1. Oriënteren op de tekst (titel-inleiding-plaatje-tussenkopjes-bron).
  2. Het lezen van de vraag en antwoorden(Waar moet ik precies lezen?).
  3. Het lezen van de tekst (Probeer tijdens het lezen alvast een antwoord te formuleren).
  4. Het beantwoorden van de vraag .

Slide 5 - Tekstslide

Vraagsoorten
  • open vragen
  • meerkeuze vragen 
  • wel /niet vragen
  • orden vragen 
  • citeer vragen 

Slide 6 - Tekstslide

open vragen
(altijd in het NL formuleren)
  • Lees eerst de vraag.
  • Snap je de vraag? Wat willen ze weten? 
  • Waar moet je zoeken? (markeer het tekstgedeelte + lees het intensief - markeer signaalwoorden en dubbele punten)
  • Vertaal het stuk of de zin waar het antwoord staat en zet het om in een goedlopend antwoord.
  • Check of je antwoord echt antwoord geeft op de vraag.

Slide 7 - Tekstslide

voorbeeld open vraag
Dit zijn de 12 open vragen uit Duits havo 2025 tijdvak 1:

1 5 – 14 – 15 – 31 – 33 – 39 – 40

Slide 8 - Tekstslide

Het correcte antwoord vraag 1 
Mensen kunnen lange afstanden goed lopen doordat hun lichaam oververhitting voorkomt door te zweten.

Slide 9 - Tekstslide

Waarom is dit antwoord goed?
In alinea (1) staat dat mensen:

niet sterker of sneller zijn dan dieren in het algemeen,
maar wél een groot voordeel hebben op lange afstanden.

➡️ Dat voordeel is niet spierkracht of snelheid,
➡️ maar temperatuurregeling door zweten.
De tekst zegt expliciet dat dit ons beschermt tegen oververhitting.

Slide 10 - Tekstslide

Tip
Bij kernvragen moet je de verklaring noemen,
niet alleen het resultaat of een vaag idee.

“Dat komt doordat …”

Slide 11 - Tekstslide

Vraag 5 in grote lijnen
Het correcte antwoord is:        Das Wasser

De vraag vraagt naar een concreet detail
Dit is géén kernvraag en géén uitleg‑vraag, maar een detailvraag:

Er wordt gevraagd naar een advies bij het schoonmaken van vershouddoekjes 

Dan staat er dat het water niet warmer dan lauw mag zijn. De 2 woorden waarmee die zin begint das Wasser


Slide 12 - Tekstslide

Vraag 15 – in grote lijnen
Het correcte antwoord is: Stau

De vraag draait om één concreet begrip dat in de tekst wordt genoemd. In alinea (2) van Tekst 5 staat dat:
er op een fietsstrook een eerste file zonder lawaai en uitlaatgassen met 33.000 fietsen ontstond. 
Dat verschijnsel wordt in de tekst expliciet aangeduid als Stau.

➡️ De vraag vraagt dus niet wat er precies gebeurde, maar hoe dit verschijnsel heet.

Slide 13 - Tekstslide

Wat gaat hier het vaakst mis? (examineringspraktijk)
 1. Te vaag formuleren                                                                  
Bij vragen 1, 31, 33, 39, 40:
Leerlingen schrijven een algemene zin die niet precies genoeg is.
Het correctiemodel verwacht een kernbegrip (bijv. reden, taak, probleem).

Slide 14 - Tekstslide

meerkeuze vragen
Vraag + antwoordopties (3-5)
Alfabetische volgorde

  • Gewone meerkeuze vragen
  • Gaten vragen

Slide 15 - Tekstslide

gewone meerkeuze vraag
  1. Lees de vraag(en eventueel de antwoordmogelijkheden)
  2. Vertaal de vraag.
  3. Waar in de tekst moet ik lezen?
  4. Tekst(gedeelte) lezen.
  5. Antwoord formuleren.
  6. Antwoord kiezen (streep de 2 "pindakaas-antwoorden" weg)

Slide 16 - Tekstslide

Gatentekstvraag
(ontbrekende woorden)
  1. Lees eerst de vraag.
  2. Antwoordopties lezen.
  3. Welke woordsoort?
  4. Antwoordopties vertalen. (noteer deze)
  5. Twee zinnen voor + na de open plek lezen. (hele tekst of alinea lezen is niet nodig)
  6. signaalwoorden? (bv maar geeft tegenstelling aan)
  7. Antwoord formuleren.
  8. Antwoord kiezen. (tegenstellingen - worden er twee uitersten genoemd dan is meestal 1 van beide het goede antwoord)

Slide 17 - Tekstslide

Meerkeuzevragen Duits havo 2025-I
Dit zijn alle vragen met antwoordopties A/B/C/D:
2 – 3 – 4
6 – 7 – 8 – 9 – 10 – 11
13
16 – 17 – 18 – 19 – 20 – 21
23 – 24 – 25 – 26
28 – 29 – 30
32
35 – 36 – 37 – 38

Totaal: 28 meerkeuzevragen

Slide 18 - Tekstslide

Vraag 3
Volgens het correctievoorschrift is het juiste antwoord: C
Vraag 3 is geen detailvraag, maar een functie‑vraag:
👉 Waarom vertelt de schrijver dit?
👉 Wat wil de schrijver hiermee duidelijk maken?
In alinea (1) beschrijven de makers van de wasdoeken:
dat het idee simpel leek, maar dat het veel experimenteren kostte,en dat het lang duurde voordat het lukte. 
➡️ Dat stukje tekst laat dus zien dat:
het maken van deze doeken helemaal niet zo makkelijk was als het eerst leek.

Dat is precies de strekking van antwoord C.

Slide 19 - Tekstslide

Vraag 16
Tekst 5 vergelijkt Innsbruck met Utrecht. De schrijver laat zien dat:
Utrecht al vergevorderd is met fietsvriendelijk beleid, en dat dit concrete, zichtbare resultaten heeft opgeleverd (veel fietsers, nieuwe infrastructuur, zelfs “fietsstau”).

➡️Er is bewustwording nodig om te herstructureren. Mensen realiseerden zich dat het verkeer steeds verder toenam en het zo niet verder kon. Een verandering was dringend nodig.

✅ Daarom is A correct: de omvang van het verkeer bereikte zijn grenzen.

Slide 20 - Tekstslide

Vraag 20
➡️ Volgens het correctievoorschrift is het juiste antwoord: D.
Kijk naar de kernboodschap van alinea (5)
Van Rossem zegt daar expliciet dat veiligheid het sleutelwoord is:
mensen moeten zich veilig voelen op de fiets 
dat vraagt om duidelijke, gescheiden en goed ingerichte infrastructuur en ook andere weggebruikers mogen zich niet bedreigd voelen


In alinea (6) wordt duidelijk dat: 
zelfs sceptische groepen (zoals winkeliers) te overtuigen zijn als het systeem goed is ingericht en als men in de praktijk ziet dat het werkt.
Dat leidt tot de conclusie: 
Goed beleid en goede voorbeelden zorgen voor draagvlak en verandering.
Dit idee wordt precies samengevat door antwoord D.

Slide 21 - Tekstslide

voorbeeld gatentekstvraag
Vraag 6, 17, 25

Slide 22 - Tekstslide

Vraag 6
Volgens het correctievoorschrift is het juiste antwoord: B.

In alinea (4) staat dat het beste aan de doekjes de kleurrijke variatie is. 
Het inpakken van het brood is daardoor niet alleen duurzamer, maar ook ... dan met normaal inpakfolie.

Een synoniem voor farbig is bunt!

Slide 23 - Tekstslide

combinatievragen
  1. Lees eerst de vraag.
  2. Antwoordopties lezen.
  3. Zoek in de betreffende tekst per item de combinatie.
  4. Gebruik eventueel verschillende kleuren per combinatie.
  5. Antwoord kiezen. 

Slide 24 - Tekstslide

wel-niet vragen
  1. Lees eerst de vraag en de beweringen.
  2. Markeer het deel van de tekst waar je moet lezen.
  3. Zoek naar de Duitse synoniemen in het tekstdeel.
  4. Zet een + of - in het tekstdeel bij de stellingen.
  5. Als het niet in de tekst staat is het onjuist.

Slide 25 - Tekstslide

voorbeeld combinatievraag
Vraag 12: waar / niet‑waar (7 uitspraken)
Vraag 22: PRO / KONTRA per alinea (8)
Vraag 27: waar / waar (2 uitspraken)3
Vraag 34: waar / niet‑waar (5 uitspraken)

Slide 26 - Tekstslide

Vraag 34
1 Niet waar: staat niet in de tekst, hij wilde zelfstandig leren worden
2 Waar: zijn moeder neemt zijn afwasbeurt over, zijn vader doet in het weekend boodschappen als zijn broertje pianoles heeft
3 Niet waar: staat niet in de tekst.
4 Niet waar: staat niet in de tekst.
5 Waar: Ich finde, durch ... nähergekommen (18-20)

Slide 27 - Tekstslide

Wat gaat er vaak mis?
1. Eigen kennis gebruiken bij wel/niet‑vragen (12, 27, 34):
Leerlingen beoordelen op logica of eigen mening
In plaats van: wat staat er écht in de tekst?
2. PRO/KONTRA verkeerd labelen 
 Bij vraag 22: Leerlingen interpreteren toon verkeerd
feit ≠ standpunt
uitleg ≠ mening
Zoek oordeelwoorden 

Slide 28 - Tekstslide

signaalwoorden + tekstverbanden
Vraag 17, 24, 35


Slide 29 - Tekstslide

Signalwörter & Funktionen
Duits

Slide 30 - Tekstslide

Was ist der Funktion von die Signalwort "also"?
A
Erweiterung
B
Begründung
C
Gegensatz
D
Folge

Slide 31 - Quizvraag

Was ist der Funktion von die Signalwort "allerdings"?
A
Erweiterung
B
Begründung
C
Gegensatz
D
Folge

Slide 32 - Quizvraag

Door het signaalwoord denn weten we dat hierna een _____ volgt
A
Erweiterung
B
Begründung
C
Gegensatz
D
Folge

Slide 33 - Quizvraag

Door het gebruik van het signaalwoord nur weten we dat er een _______ volgt.
A
Erweiterung
B
Gegensatz
C
Konkretisierung
D
Einschränkung

Slide 34 - Quizvraag

Was ist der Funktion von die Signalwort "sogar"?
A
Steigerung
B
Zusatz
C
Erweiterung
D
Gegensatz

Slide 35 - Quizvraag

Was ist der Funktion von die Signalwort "nicht nur ..... sondern auch"?
A
Steigerung
B
Zusatz
C
Erweiterung
D
Gegensatz

Slide 36 - Quizvraag

Was ist der Funktion von die Signalwort "sowie"?
A
Erweiterung
B
Begründung
C
Gegensatz
D
Folge

Slide 37 - Quizvraag

Wat kun je nog doen?
Examens oefenen 
signaalwoorden leren
veelvoorkomende woorden en vragen leren

Uitlegfilmpjes mevrouw Duits bekijken op youtube.com 

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Tekstslide

Slide 42 - Tekstslide