Klas 1I P3 les 4- BZL (3-03-2021)

¡¡Bienvenidos!!
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavoLeerjaar 1

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

¡¡Bienvenidos!!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

¿Qué tal la semana de vacaciones?

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Programa de hoy
  • Corregir los deberes
  • Artículo - Lidwoord 
  • Pronombres personales -Persoonlijke voornaamwoorden
  • Nacionalidades - Nationaliteit

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Los deberes
Hacer (maken):
Tekstboek Gente Joven p.20, ejercicio 1a,b,c

VOC boekje op Googleclassroom p. 18, ejercicio 1+2

Kijk video over lidwoord --> terug te vinden op Googleclassroom bij lessonuplinks (les 3)

Kijk video over persoonlijkvoornaamwoord --> terug te vinden op Googleclassroom bij lessonuplinks (les 3)

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

TB p.20, Ejercicio 1A

¿Conoces algún nombre o apellido español?

Slide 5 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

TB p.20, Ejercicio 1B

Welke drie leerlingen zijn er nog niet?

Slide 6 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

TB p.20, Ejercicio 1C
Iñaki
David
Pablo
Jonathan
Joaquín
Javier
Eugenia
Lorena
Alba
Luna
Cristina
Fátima
Paula
¿Qué nombre de la lista son de chico y qué nombres son de chica?

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VOC p.18, Ejercicio 1
Omcirkel het juiste lidwoord, mannelijk of vrouwelijk.
1. Pedro es un / una chico.
2. El / la chico es español.
3. Marta es un / una chica.
4. El / la chica es holandesa.
5. Tengo un / una perro.
6. El / la perro se llama Sol.
7. Manual tiene un / una mascota.
8. El / la mascota de Manuel es un gato.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

VOC p.18, Ejercicio 2
Zet in het meervoud, zowel het lidwoord als het zelfstandig naamwoord.
Voorbeeld: la clase, las clases.

1. el chico
2. el país
3. la chica
4. la casa

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Lidwoorden
¿Hay preguntas?

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

El artículo (het lidwoord) 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het lidwoord - el articulo

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het lidwoord - el articulo

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden?
Hoe herken je die in het Spaans?
Mannelijke zelfstandig 
naamwoorden eindigen op:
 -O: zoals EL libro (het boek), EL niño  (de jongen), EL cuaderno (het schrift)
 -L: zoals EL hotel (het hotel), EL árbol (de boom) 
 -AJE: zoals EL equipaje (de bagage), EL garaje (de garage)
 -OR: zoals EL amor (de liefde) EL vendedor (de verkoper)


Vrouwelijke zelfstandig naamwoorden eindigen op:
-A: zoals LA casa (het huis), LA niña 
(het meisje) LA bicicleta (de fiets)
-SIÓN: LA decisión (de beslissing) 
-CIÓN: LA estación (het station) 
-DAD: LA edad (de leeftijd) LA verdad (de waarheid)
-TAD: LA libertad (de vrijheid),
 -ED: LA pared (de muur)


Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mannelijke en vrouwelijke zelfstandig naamwoorden?
Hoe maak je daar meervoud van in het Spaans?
1. We beginnen bij de lidwoorden die we voor meervoud gebruiken:
Dat wordt LOS of LAS als het om een bepaald lidwoord gaat.
Gaat het om een onbepaald lidwoord gebruiken we UNOS of UNAS.

2. Dan maken we van een zelfstandig nw in enkelvoud, meervoud:
 vb: EL NIÑO wordt in het meervoud LOS NIÑOS
       LA NIÑA wordt in het meervoud LAS NIÑAS
 
en: EL TREN wordt in het meervoud LOS TRENES
      LA REACCIÓN wordt in het meervoud LAS REACCIONES




Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Persoonlijke voornaamwoorden

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke persoonlijke voornaamwoorden
zijn er in het Nederlands?

Slide 17 - Open vraag

vraag eventueel altijd eerst als de leerlingen weten wat een persoonlijke voornaamwoord is. 
*Zo niet: welke woorden gebruiken we om een persoon aan te wijzen in het Nederlands?
=Persoonlijke Voornaamwoord

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ejercicio 2a.
Onderstreep het onderwerp van de zin.
Door welk persoonlijk voornaamwoord kun je het onderwerp vervangen?
Schrijf het persoonlijk voornaamwoord rechts. Zin 1 is een voorbeeld.
Ejericio 2A
1. María es de Buenos Aires.                                            ______ella______
2. Mi padre se llama Juan.                                                 _______________
3. Los padres de Manuel son de Bélgica.                   _______________
4. La señora Van Dijk es la profesora de francés.   _______________
5. ¿María y Lucas, sois de Francia?                               _______________

Ejercicio 2b
1. ¿Pedro, eres español?                                    _______________          
2. Mis amigos y yo tenemos clase.             _______________
3. Susana es una chica española.                 ______________ 
4. ¿Señor De Vries, es de Holanda?              _______________
5. Los señores Martínez son de España.    _______________


Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Tailandia
Tailandés(a)

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Países y nacionalidades
España
Marruecos
Alemania
Argentina
Perú
Francia
Italia
Marroquí
Alemán(a)
Español(a)
Italiano(a)
peruano(a)
francés(a)
argentino(a)

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

¡A trabajar!
TB p.22 oef 4

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Los deberes 
Aprender: 
Frases clave  VOC p.5 
Herhaal lidwoord en persoonlijke voornaamwoorden

Hacer: 
Voc. p. 16-17, Ejercicio 1 y 2
TB p.22, Ejercicio 4
Bekijk video nacionalidades
Bekijk video getallen 0-20




Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 26 - Video

Deze slide heeft geen instructies