Les 2 5 september 2026 (VO3)

Les 2 VO3
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsSecondary Education

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Les 2 VO3

Slide 1 - Tekstslide

Les 2 VO3

Wat gaan we vandaag doen? 

1. Hoe ging het met het huiswerk? 
2. Lukt het activeren van je Nieuw Nederlands account? 
3. Nederlandse dialecten
4. Herhaling zinsdelen van vorig jaar
5. Naamwoordelijk gezegde (Cursus 5 Grammatica §3 - blz 210-211) 


Slide 2 - Tekstslide

Hoe ging het met huiswerk maken?
😒🙁😐🙂😃

Slide 3 - Poll

Hoe lang duurde het huiswerk maken ongeveer?
minder dan 1.5 uur
meer dan 1.5 uur

Slide 4 - Poll

Online leeromgeving
Hoe gaat het met het activeren van je account? 

Slide 5 - Tekstslide

Nederlandse Dialecten

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Hollands
De plaatsen in het noordwesten van Nederland worden onder het Hollands gerekend. Hollands is samen met het Brabants het meest gesproken hoofddialect van het Nederlands. Het Hollands onderscheidt zich door de woorden nou en jou. In het Zeeuws spreek je dat bijvoorbeeld uit als noe en joe en in het Brabants bijvoorbeeld nu en u/oe.

Slide 8 - Tekstslide

Nedersaksisch
Het Nedersasksich wordt in het noorden en oosten van Nederland gesproken. Twents, Drents, Achterhoeks, Veluws en Gronings zijn dialecten die onder het Nedersaksisch vallen. De dialecten worden gekenmerkt door de ou als o te spreken. Bijvoorbeeld koud wordt uitgesproken als kolt.

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Slide 12 - Video

Vocabulaire
brink - Een brink is een open ruimte in een nederzetting op de zandgronden van Nederland en daarbuiten. Brinken zijn veelal in de loop der tijd omgevormd tot een dorpsplein, dat vaak nog bestaat uit gras en bomen. 

Slide 13 - Tekstslide

Vocabulaire (vorige week)
veen - een grondsoort die hoofdzakelijk bestaat uit gedeeltelijk vergane of verkoolde resten van bomen en planten (en kleine diertjes) met een vochtgehalte van meer dan 75%. Engels: 'peat'. 
laagveen -  Laagveen ontwikkelt lager dan de grondwaterspiegel.
hoogveen (ombrotroof veen): ontwikkeld zich hoger dan het grondwaterpeil. O.a. 'raised bogs' en 'blanket bogs' zijn waarschijnlijk beiden hoogveen (nog even checken, MP). 
turf - gedroogd veen dat als brandstof kan worden gebruikt.
vervenen - Vervening of turfwinning is het verwijderen van een veenbodemlaag uit een veenderij.
ven - Vennen zijn kleine meertjes of plassen die typisch zijn voor laaggelegen gebieden. Ze ontstaan vaak door veenvorming en zijn belangrijke natuurgebieden.
lintbebouwing - langgerekte, aaneengesloten bebouwing door het bouwen langs een kanaal, dijk, weg, enzovoorts. 
inklinken/klink: het proces van volumevermindering van grond door verdroging, of door het onttrekken van grondwater.  
legakkers / ribben; smalle langwerpige stroken land die niet werden ontveend.
droogmakerij - een bemalen gebied (polder) dat van oorsprong een meer, een ander groot open water of drasland was. 

Slide 14 - Tekstslide

Herhaling grammatica VO2
Werkwoordelijk gezegde 
en 
Naamwoordelijk gezegde


Wie weet nog wat dit zijn?

Slide 15 - Tekstslide

Wie weet nog wat een
Werkwoordelijk en een naamwoordelijk gezegde is?

Slide 16 - Open vraag

Naamwoordelijk gezegde
Een zin heeft een werkwoordelijk gezegde 

                       OF!


Een zin heeft een naamwoordelijk gezegde

Slide 17 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets (het onderwerp) IS (of wordt of blijft).

Slide 18 - Tekstslide

          Het naamwoordelijk gezegde
Het naamwoordelijk gezegde bestaat uit één of meer werkwoorden en een (zelfstandig, bijvoeglijk) naamwoord. 

Het naamwoordelijk gezegde geeft altijd aan dat iets of iemand iets is (ZIJN ZIN).

Slide 19 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde
Mijn vader is op zijn studeerkamer
Wie of wat is mijn vader = ??????

Deze zin heeft dus geen naamwoordelijk gezegde. Een naamwoordelijk gezegde geeft een toestand of eigenschap van het onderwerp aan.


Slide 20 - Tekstslide

Koppelwerkwoord
Eén van de werkwoorden van een naamwoordelijk gezegde  is een vorm van een koppelwerkwoord.
Koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken, voorkomen

Slide 21 - Tekstslide

Het werkwoordelijk gezegde

Slide 22 - Tekstslide

 Werkwoordelijk gezegde
  • Het werkwoordelijk gezegde is een zinsdeel.
  • Het werkwoordelijk gezegde = alle werkwoorden in de zin.
  • De persoonsvorm is onderdeel van het werkwoordelijk gezegde.
  • Het werkwoordelijk gezegde zegt wat het onderwerp ‘doet’ of ‘overkomt’.

Let op: het woordje te voor een heel werkwoord hoort ook bij het werkwoordelijk gezegde!
  • Ik heb veel te doen.
--> werkwoordelijk gezegde: heb te doen



Slide 23 - Tekstslide

TIJD OM TE OEFENEN

Slide 24 - Tekstslide

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Katrien is moe.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 25 - Quizvraag

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Ze heeft hard gewerkt.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 26 - Quizvraag

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Zij wil gaan slapen.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 27 - Quizvraag

naamwoordelijk gezegde of werkwoordelijk gezegde?

Zij dacht aan haar grote zachte bed met haar warme deken en haar grote hoeveelheid knuffels.
A
naamwoordelijk gezegde
B
werkwoordelijk gezegde

Slide 28 - Quizvraag

Maak nu Opdracht 1
Nieuw Nederlands
Cursus 5: grammatica
§ 1 ZD Herhaling leerjaar 2 hv
Opdracht 1

Slide 29 - Tekstslide

Herhaling grammatica VO2
Bijvoeglijke bepaling


Slide 30 - Tekstslide

Bijvoeglijke bepaling

- Een bijvoeglijke bepaling zegt iets over een zelfstandig naamwoord

- Een bijvoeglijke bepaling kan uit één woord bestaan, maar ook uit meerdere woorden

- In een zin kan een bijvoeglijke bepaling zowel voor als achter het zelfstandige naamwoord staan

- Vaak is een bijvoeglijke bepaling een eigenschap van het zelfstandig naamwoord waarover iets gezegd wordt.

Slide 31 - Tekstslide

Voorbeeld:

De rechter slaat de hamer op het hardhouten bureau.

Als ik uit ga, ga ik vaak naar een gezellig café.


Maar ook:

Deze week was geweldig!”

Slide 32 - Tekstslide

Let op!

Niet verwarren met een bijwoordelijke bepaling!

Zegt het iets over een werkwoord of van een zelfstandig naamwoord?

Alleen als het iets zegt over een zelfstandig naamwoord, dan heb je te maken met een bijvoeglijke bepaling

Slide 33 - Tekstslide

Maak nu Opdracht 4
Nieuw Nederlands
Cursus 5: grammatica
§ 1 ZD Herhaling leerjaar 2 hv
Opdracht 4

Slide 34 - Tekstslide

Maak nu Opdracht 
Nieuw Nederlands
Cursus 5: grammatica
§ 1 ZD Herhaling leerjaar 2 hv
Opdracht 5

Slide 35 - Tekstslide

Lesafsluiting: Huiswerk
 ▪ Maak je leesautobiografie af, en lever het uiterlijk vrijdag in.  
 ▪ Heb je het al af? Voeg dan een lijst toe van alle Nederlandse boeken die je je kunt herinneren gelezen te hebben.  
▪ Cursus 5 Grammatica: Herhaling zinsdelen, Maak opdracht 1.1, 1.2, 1.3, 1.4, 1.5. 

 Tot volgende week (online). 

Slide 36 - Tekstslide

Herhaling grammatica VO2
Enkelvoudige zinnen
en 
samengestelde zinnen


Slide 37 - Tekstslide

Samengestelde zin
  • Bestaat uit twee of meer zinnen.
  • Kunnen nevengeschikte zinnen zijn, of ondergeschikte zinnen.

Slide 38 - Tekstslide

Voorbeeld enkelvoudige zin
  • Het wordt slecht weer vandaag.
  • Ik ga vandaag naar de Action.
  • Hij kijkt veel naar Star Wars.

Slide 39 - Tekstslide

Voorbeeld samengestelde zin
  • Het wordt vandaag mooi weer en we gaan lekker naar het strand. 
  • Hij kijkt veel naar Star Wars en schrijft daar over op zijn website.

Slide 40 - Tekstslide

Voegwoorden
  • Voegwoorden zijn een soort cement.
  • Je kunt met voegwoorden zinnen aan elkaar plakken.

Slide 41 - Tekstslide

Nevenschikkende voegwoorden

  • en
  • maar
  • want 
  • of*
  • dus
Onderschikkende voegwoorden

  • aangezien
  • als
  • dat
  • doordat
  • terwijl
  • toen

Slide 42 - Tekstslide

Nevenschikking

- Zinnen kunnen los van elkaar voorkomen.

- Je zou in principe tussen alle zinnen een punt kunnen zetten.

Onderschikking

- De zinnen kunnen niet los van elkaar voorkomen.

- De zinnen zijn afhankelijk van elkaar.

Slide 43 - Tekstslide