260223 4VH: herhaling box 1 en Bert in box 1 AHE

Indirecte belastingen
Directe belastingen

Btw
Inkomstenbelasting
Vennootschapsbelasting
Accijns
1 / 43
volgende
Slide 1: Sleepvraag
EconomieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Indirecte belastingen
Directe belastingen

Btw
Inkomstenbelasting
Vennootschapsbelasting
Accijns

Slide 1 - Sleepvraag

Slide 2 - Tekstslide

Hoe rekenen we het belastbaar inkomen uit?
A
bruto inkomen - aftrekposten + bijtelling
B
bruto inkomen - betaalde hypotheekrente
C
bruto inkomen + eigenwoningforfait
D
bruto inkomen - hypotheekrente + eigenwoningforfait

Slide 3 - Quizvraag

In Nederland hebben wij een ........ belastingstelsel
A
degressief
B
proportioneel
C
progressief
D
rechtevenredig

Slide 4 - Quizvraag

We berekenen de heffing over het ...... inkomen
A
belastbaar
B
bruto
C
netto
D
primair

Slide 5 - Quizvraag

Hoe rekenen we de gemiddelde belastingdruk uit?
A
de te betalen belasting/ belastbaar inkomen x 100%
B
de te betalen belasting/ bruto inkomen x 100%
C
hoef je niet uit te rekenen, kan je aflezen

Slide 6 - Quizvraag

Hoe rekenen we de marginale belastingdruk uit?
A
de te betalen belasting/ bruto inkomen x 100%
B
het percentage van de laatst gebruikte schijf
C
de te betalen belasting/ belastbaar inkomen x 100%

Slide 7 - Quizvraag

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Stappenplan belasting in box 1
1. Bepaal belastbaar inkomen: brutoloon - aftrekposten + bijtelling
2. Bereken belasting: met behulp van het schijvenstelsel
3. Trek heffingskorting eraf
4. Indien van toepassing : tel de tariefsaanpassing aftrekposten erbij op

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Box 3
Belasting over inkomsten uit vermogen, zoals spaargeld en beleggingen. 
Deze inkomstenbelasting in box noem je ook wel vermogensrendementsheffing.

Bij deze belasting doet de overheid alsof je per jaar verdient aan rente met je spaargeld of winst op je belegging. Dit noem je fictief rendement.

Het eerste deel van je spaargeld is belastingvrij, 
dit heet heffingsvrij vermogen.

Slide 21 - Tekstslide

Boven de € 25.000 spaargeld rekent de belastingdienst met een fictief rendement van 2,6% (tot € 100.000, daarboven gelden andere percentages) . Over het fictief rendement betaal je 30% belasting.

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Video

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

De belasting die we in box 3 betalen, is belasting op inkomen uit ....
A
aanmerkelijk belang
B
werk
C
sparen en beleggen

Slide 26 - Quizvraag

Hoe bereken je het belastbaar vermogen (in box 3)?
A
bezittingen - schulden - heffingsvrij vermogen
B
bezittingen - schulden + heffingsvrij vermogen
C
bezittingen + schulden - heffingsvrij vermogen
D
bezittingen + schulden + heffingsvrij vermogen

Slide 27 - Quizvraag

Yannick (32) heeft €72.500 op de bank staan, hier krijgt hij 2,4% rente over. Hij heeft een schuld van €2.000. Het heffingsvrijvermogen bedraagt €30.360. Wat is het belastbare vermogen van Yannick?

Slide 28 - Open vraag

Slide 29 - Tekstslide

Bereken de belasting in box 1 voor Tim
A
€11.686,50
B
€11.687
C
€11.686
D
€27.454

Slide 30 - Quizvraag

In box 1 betaalt Imane € 22.198 belasting,
in box 3 betaalt ze € 243 belasting.
Ze krijgt € 3.562 aan heffingskortingen.
Bereken het bedrag dat Imane aan inkomstenbelasting betaalt.
A
€25.517,-
B
€18.879,-
C
€18.393,-
D
€22.198,-

Slide 31 - Quizvraag

1. Op 1 januari 2019 heeft Thijs in totaal € 150.000 spaargeld. Hij heeft geen schulden. Het heffingsvrije vermogen in box 3 bedraagt € 30.360,-. Bereken het belastbare vermogen voor Thijs in 2019. De belasting die Thijs in box 1 moet betalen is
€ 3.100
A
€ 150.000
B
€ 150.000 - 3.100 = €146.900
C
€ 150.000 - € 30.360 = €119.640
D
€ 150.000 - € 30.360- € 3.100 = € 116.540

Slide 32 - Quizvraag

Indirecte belasting
Directe belasting
Inkomstenbelasting
BTW
Accijns
Loonbelasting

Slide 33 - Sleepvraag

Hanneke heeft een vermogen van €89.000. Bereken het bedrag dat zij aan belasting moet betalen in box 3. Gebruik voor de berekening de gegevens uit onderstaande tabel.

Slide 34 - Open vraag

Belastbaar inkomen = € 70.000. Bereken de belasting in Box 1

Slide 35 - Open vraag

Hanneke heeft een vermogen van €289.000. Bereken het bedrag dat zij aan belasting moet betalen in box 3. Gebruik voor de berekening de gegevens uit onderstaande tabel.

Slide 36 - Open vraag

Opgave Bert in box 1    -    opgave 2.25 blz 161 / 175
De opmerking (bij een bruto inkomen van €45.000 mag je doorstrepen
1. Bereken voor Bert het belastbaar inkomen in box 1 in 2025.

 Belastbaar inkomen = brutoloon – aftrekposten + bijtellingen
 Belastbaar inkomen = 37.000 – 0,032 x 150.000 + 0,0035 x 180.000 = 37.000 – 4.800 + 630 = € 32.830



Slide 37 - Tekstslide

Opgave Bert in box 1 
2. Bereken voor Bert de te betalen belasting in box 1 in 2025 (rond af in het voordeel van Bert). 

 Bereken belasting (alleen de eerste schijf): 0,3582 x 32.830 = 11.759,71
 Trek heffingskortingen eraf: 11.759,71 – 2.252 – 5.204 = € 4.303 (voordelig afgerond)


Slide 38 - Tekstslide

Opgave Bert in box 1 blz. 138
3. Bereken voor Bert de gemiddelde belastingdruk in box 1 in 2017.

4. Bereken voor Bert de marginale belastingdruk in box 1 in 2017.
 


Slide 39 - Tekstslide

Opgave Bert in box 1 
3. Bereken voor Bert de gemiddelde belastingdruk in box 1 in 2017.

Gemiddelde belastingdruk = te betalen belasting/ bruto inkomen x 100%
 4.303 / 37.000) x 100% = 11,63%

4. Bereken voor Bert de marginale belastingdruk in box 1 in 2017.

Marginale belastingdruk = 35,82% percentage laatst gebruikte schijf 



 


Slide 40 - Tekstslide

Opgave Bert in box 1 
5. Bereken het belastingvoordeel dat Bert heeft als gevolg van de hypotheek 

De bijtelling en de aftrekpost van Bert vallen in de eerste schijf.
 Bert betaalt 0,3582 x 4.800 = € 1.719,36 minder belasting als gevolg van de aftrekpost.
 Bert moet 0,3582 x 630 = € 225,67 extra belasting betalen als gevolg van de bijtelling.
 Het belastingvoordeel eigen woning is dus gelijk aan 1.719,36 – 225,67 = € 1.493,69

Slide 41 - Tekstslide

Dat was belasting betalen
Volgende lessen 2.3 Ongelijkheid






Slide 42 - Tekstslide

Opgave Bert in box 1 blz. 138
Hij heeft een bruto-jaarinkomen van € 45.000,- en woont in een huis dat hij heeft gekocht met behulp van een hypotheek. De WOZ-waarde van de woning bedraagt € 180.000,-. De hypotheeklening bedraagt € 150.000,- met een rente van 3,2% per jaar. Het jaarlijkse eigenwoningforfait (de bijtelling in box 1 vanwege de eigen woning) is gelijk aan 0,75% van de WOZ-waarde.
  

1. Bereken voor Bert het belastbaar inkomen in box 1 in 2017.


Slide 43 - Tekstslide