Grammar tenses revision H3

Grammar Tenses
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo, mavo, havo, vwoLeerjaar 2-4

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Grammar Tenses

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Goals
at the end of this module you can: 
- recognize and correctly apply the present and past tenses  that we have covered in class



Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Simple
Perfect
Continuous

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

When
Something that happens:
* regularly / frequently 
* always / never
* schedule 
How
I/you/we/they       walk
he/she/it                walks
Signal words
always, never, often, sometimes, on Tuesday, every month
Example 
He always walks to school. 

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Present Simple
Wanneer gebruik je de Present Simple?
A
Wanneer iets altijd, nooit of regelmatig gebeurt.
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer iets in het verleden is gebeurd.
D
Wanneer iets in het verleden is begonnen en nu nog bezig is.

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple
welke zin is present simple?
A
Lucy lives in London.
B
Lucy lived in London.
C
Lucy is living in London.
D
Lucy has lived in London.

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Simple:
Hoe wordt de de Present Simple gevormd?

A
+ Bij he/she/it stam + s
B
? vraag zin gebruik je do/does + stam
C
- Bij ontkennend zin gebruik je don't/doesn't + stam
D
Alle drie kloppen.

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Perfect

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Present perfect
Wanneer gebruik je de Present perfect?
A
Wanneer iets altijd, nooit of regelmatig gebeurt.
B
Wanneer iets nu bezig of aan de gang is.
C
Wanneer iets in het verleden is gebeurd.
D
Wanneer iets in het verleden is begonnen en nu nog bezig is / connectie met nu.

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present perfect:

Hoe maak je de present perfect?
A
hele werkwoord + -ed. (worked)
B
shit rule= hele ww+ -s
C
am/are/is + hele werkwoord + -ing
D
have/has + voltooid deelwoord (helped, found)

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Liam has never failed a class.
Which tense is this?
A
present simple
B
present perfect
C
present continuous
D
past simple

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous
Subject +
Form of to be +
Verb + ing
I
Am/’m
Watching
TV.
You/we/they
Are/’re
Watching
TV.
He/she/it
Is/’s
Watching
TV.

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present Continuous
When
When something happens now. Something that happens for a while.
How
I                         am walking
he/she/it          is walking
you/we/they   are walking
Signal words
now, at the moment, !
Example 
The police are investigating the murder.

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous:

Wat geef je aan met de present continuous?
A
Iets dat altijd, nooit of regelmatig gebeurt
B
Iets dat NU aan de gang is of iets gaat gebeuren in de toekomst
C
Iets dat is gebeurd in het verleden.

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Present continuous:
Pick the present continuous.
A
We are eating lunch at the cafeteria.
B
They have eaten lunch at the cafeteria before.
C
She ate lunch at the cafeteria.
D
He has eaten lunch at the cafeteria.

Slide 18 - Quizvraag

Present continuous
1. aan te geven dat iets NU aan de gang is. Signaalwoorden zijn o.a: "now, at the moment, listen..." enz.
2. aan te geven dat je iets van plan bent. Meestal staat er bij wanneer je in de toekomst dat van plan bent.
3. irritatie aan te geven
Maak de present continuous door: vorm van 'to be' (am/is/are) + ww+ ing
Susanne is singing right now
Present Continuous:

Wat is de regel van de present continuous?
A
ww+ - ed
B
shit = ww+-s
C
vorm van to be + ww+-ing
D
ww+-ng

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Past Simple
What
Past simple
When
Om aan te geven dat iets in het verleden is gebeurd.
How
Met -ed OF een onregelmatige vorm.
Signal words
Yesterday, last week, last month, two days ago, four days ago, months ago, etc.
Examples
He walked her home last night.
I talked to him yesterday.
She swam a lot in her spare time during the holidays.
Our math teacher taught us a lot last year

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Past Simple:

Wat zijn de signaalwoorden van de Past Simple?
A
Tomorrow, next week, in 2025,
B
Last month, yesterday, a month ago, in 2012
C
Today, now,
D
again, always, constantly

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Past Simple:

Wat is de regel van de past simple?
A
hele ww+ -ed of irregular verb 2e rijtje
B
shit = hele ww+-s
C
vorm van to be + hele ww+ -ing
D
have/has + voltooid deelwoord (3e rijtje)

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Past Continuous
was / were + hele werkwoord + -ing
verleden tijd van to be
bv. to do,
      to look
bv. doing
       looking

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Past Continuous
- when something was happening for a while in the past
He was living abroad at the time. 

- when something that happened in the past is interrupted: 
We were watching TV, when the door bell rang
the interruption is past simple tense

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is Past Continuous?
A
He has lost his keys and can't get in the house.
B
We are working on our project right now.
C
I was walking the dog when it started to rain.
D
I am going to visit grandma tomorrow.

Slide 27 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Past continuous is?
A
als je iets aan het doen was toen iets anders gebeurde
B
iemand iets aan het doen was op een moment in het verleden
C
als iets afgelopen is
D
als iets nog moet gebeuren

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Do you know the different tenses?
😒🙁😐🙂😃

Slide 29 - Poll

Deze slide heeft geen instructies