Spelling -iaal; -ieel en -ueel

-iaal
- Je hoort iejaal, maar schrijft iaal
- Voorbeelden: liniaal, materiaal en filiaal
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsBasisschoolGroep 8

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

-iaal
- Je hoort iejaal, maar schrijft iaal
- Voorbeelden: liniaal, materiaal en filiaal

Slide 1 - Tekstslide

-ieel
-  Je hoort iejeel, maar schrijft iejeel
- Voorbeelden: industrieel en bouwmaterieel 

Slide 2 - Tekstslide

-ueel
- Je hoort uweel, maar schrijft ueel.
- Voorbeelden: eventueel, actueel en ritueel.

Slide 3 - Tekstslide

Sleep het woord naar de juiste uitgang!:
lin...
-iaal
-ieel
-ueel
event...
Mater...
act....
fil...
financ...
soc...
industr...
procent...
Tekst...
speci...
offic...
individ...

Slide 4 - Sleepvraag

Het woord seksueel is goed geschreven.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 5 - Quizvraag

Het woord commersjeel is goed geschreven.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 6 - Quizvraag

Het woord collegijaal is goed geschreven.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 7 - Quizvraag

Verbeter het woord kolonijale

Slide 8 - Open vraag

Verbeter het woord Jueel

Slide 9 - Open vraag

Verbeter het woord Potentjiele

Slide 10 - Open vraag

Welke woord is goed geschreven?
A
notarijeel
B
notariejeel
C
notarieel
D
notarieeel

Slide 11 - Quizvraag

Schrijf het woord op:

Slide 12 - Open vraag

Schrijf het woord op:

Slide 13 - Open vraag

Schrijf het woord op:

Slide 14 - Open vraag

Schrijf het woord op:

Slide 15 - Open vraag

Schrijf het woord op:

Slide 16 - Open vraag

Hoe goed ging deze les?
0= heel slecht; 10= heel goed
010

Slide 17 - Poll