Lesson 5 writing and grammar : tags

Question tags
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 1,2

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Question tags

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan we doen vandaag?

  • Controle huiswerk
  • les 5- Unit 3  
  • Uitleg over het gebruik van tags   
  • Les 3.5  Opgave 1 tm 6

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen
Aan het einde van deze les ken je de regels voor het gebruik van tags ( aangeplakte vraagjes )  en kun je deze  toepassen bij tenminste 8 zinnen.

Slide 3 - Tekstslide

Instruction

Slide 4 - Tekstslide

QT
  1. Je herhaalt de eerste 2 woorden van de zin in omgekeerde volgorde
He isn't very clever, is he ?
Tom isn't very clever, is he ?

Slide 5 - Tekstslide

Tags 
Je gebruikt in de tag hetzelfde persoonlijk voornaamwoord als in de zin 
OF  het voornaamwoord dat hoort bij de naam of het woord: 
He is smart , isn't  he ?
Tom is smart , isn't  he ?
Tom and Jane are smart, aren't they ?
This dog is friendly, isn't it

Slide 6 - Tekstslide

          Je gebruikt not OF in de zin Of in de tag

Slide 7 - Tekstslide

Vul aan:
It is nice weather ,________________?
A
is it?
B
isn't it ?

Slide 8 - Quizvraag

Vul aan:
This isn't difficult, ______________?
A
isn't it
B
is it?

Slide 9 - Quizvraag

You are my best friend, ...?
timer
0:20
A
are we?
B
is he?
C
am I?
D
aren't you?

Slide 10 - Quizvraag

That girl is new here, ...?
timer
0:20
A
isn't she?
B
are we?
C
am I?
D
aren't I?

Slide 11 - Quizvraag

Ariana Grande is a singer, ...?
timer
0:20
A
isn't she?
B
is he?
C
are you?
D
am I?

Slide 12 - Quizvraag

Staan er 2 werkwoorden in de zin dan herhaal je het eerste werkwoord :
Dus: Als er in de zin een hulpwerkwoord staat, zoals een vorm van to be, to have, to do, dan gebruik je dat ook in de tag. 

You have got a  bike,  haven't  you?
James doesn't like horses, does he?

Slide 13 - Tekstslide

Aangeplakte vraagjes
Staat er geen hulpwerkwoord in de zin  dan gebruik je do of does in de aangeplakte vraag. Net als in gewone vragen.

The boys play football, don't they?
She likes to ride her horse, doesn't she?
You know that shop, don't you?
It works fine, doesn't it?

Slide 14 - Tekstslide

She doesn't like him......?
A
is she?
B
do you?
C
isn't it?
D
does she?

Slide 15 - Quizvraag

Ik snap de question tags.
A
Ja.
B
Nee.
C
Met een beetje meer hulp.

Slide 16 - Quizvraag

Homework
Exercises 1 till 8 of lesson 3.5

We will do exercise 4 and 5 together 

Slide 17 - Tekstslide

Herhaling Tags 
  • Wie heeft extra hulp nodig? 

  • Doe de Grammaticatrainer  

Slide 18 - Tekstslide

Tag question: Kort vraagje aan het einde van de zin 
Je checkt of iets klopt en/of de ander  er ook zo over denkt als jij.  

Voorbeeld: You can hear me now, can't you


Slide 19 - Tekstslide

+ / - 
Als de zin bevestigend is (+), dan is de tag ontkennend(-) 

Voorbeeld: He is very angry, isn't he

Slide 20 - Tekstslide

- / +
Als de vraag ontkennend is (-), dan is de tag bevestigend (+)

Voorbeeld: She can't come to school today, can she?
    

Slide 21 - Tekstslide

I, you, he, she, it, we, they 
Je gebruikt altijd de persoonlijke voornaamwoorden op het einde van de tag. 

Voorbeeld:
The dog isn't very nice, is it?
My grandparents are very happy, aren't they


Slide 22 - Tekstslide

There
Je kan ook een zin met 'there' als onderwerp hebben 

Voorbeeld: 
There is a lot of food at the party, isn't  there

Slide 23 - Tekstslide

QT
Staat er geen hulpwerkwoord in de zin  dan gebruik je do of does in de aangeplakte vraag. Net als in gewone vragen.

The boys play football, don't they?
She likes to ride her horse, doesn't she?
You know that shop, don't you?
It works fine, doesn't it?

Slide 24 - Tekstslide

He is very tall, ..............?
A
is he?
B
isn't he?

Slide 25 - Quizvraag

Your arm doesn't hurt, ...........?
A
does it?
B
doesn't it?

Slide 26 - Quizvraag

The students can't come to school, ................ ?
A
can they?
B
can't they?

Slide 27 - Quizvraag

He likes to play football, .........................?

Slide 28 - Open vraag

You like to go to the cinema, ....................?

Slide 29 - Open vraag

There are many popular TV shows,
......................?

Slide 30 - Open vraag

Homework 
Exercise 6 again (together).
Homework is the 'grammaticatrainer' and exercises 7 till 10
 

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide