Les 2 april

Vandaag 
Opwarmer
1 april
massatoerisme
zinsdelen en woordsoorten
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsEnseignement Secondaire

In deze les zitten 22 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 75 min

Onderdelen in deze les

Vandaag 
Opwarmer
1 april
massatoerisme
zinsdelen en woordsoorten

Slide 1 - Tekstslide

1 april
https://jeugdjournaal.nl/artikel/2608619-1-april-deze-grappen-zijn-al-ontmaskerd

https://www.vrt.be/vrtmax/a-z/karrewiet-nieuwsvideos/belgie/karrewiet-nieuwsvideos-heb-jij-een-1-april-grap-uitgehaald-vandaag-/

Slide 2 - Tekstslide

Vandaag

Slide 3 - Tekstslide

Wat denk jij dat ‘massatoerisme’ betekent? Kun je een voorbeeld noemen van een plek waar veel toeristen komen?

Slide 4 - Open vraag

Waarom gaan volgens jou veel mensen naar dezelfde populaire vakantiebestemmingen?

Slide 5 - Open vraag

Welke problemen zouden kunnen ontstaan als er heel veel toeristen op één plek komen? Denk aan natuur, bewoners en de omgeving.

Slide 6 - Open vraag

Slide 7 - Link

Waarom nemen sommige plekken maatregelen tegen toeristen?
A
Omdat bewoners zelf op vakantie willen
B
Omdat toeristen te weinig geld uitgeven
C
Omdat er te weinig hotels zijn
D
Omdat toeristen de natuur en omgeving beschadigen

Slide 8 - Quizvraag

Waarom willen veel mensen naar dezelfde plekken toe?
A
Omdat er minder andere plekken zijn
B
Door sociale media en bekende beelden
C
Omdat reizen goedkoper is geworden
D
Omdat het verplicht is via reisorganisaties

Slide 9 - Quizvraag

Wat wordt bedoeld met ‘massatoerisme’?
A
Toeristen die weinig geld uitgeven
B
Mensen die alleen in eigen land op vakantie gaan
C
Grote groepen mensen die dezelfde plekken bezoeken
D
Toeristen die alleen reizen

Slide 10 - Quizvraag

Leg uit wat een gevolg is van massatoerisme voor natuur of steden.

Slide 11 - Open vraag

Noem één maatregel die wordt genomen om het aantal toeristen te beperken en leg uit hoe die werkt.

Slide 12 - Open vraag

Waarom spelen sociale media een belangrijke rol bij massatoerisme?

Slide 13 - Open vraag

Vind jij dat toeristen moeten betalen om drukke plekken te bezoeken? Leg je mening uit.

Slide 14 - Open vraag

Zou jij nog naar een plek gaan als je weet dat het er heel druk is door toerisme? Waarom wel of niet?

Slide 15 - Open vraag

werkwoordelijk gezegde is wat het onderwerp 'doet'

Het werkwoord heeft 'betekenis'

Alle werkwoorden in de zin
Hij bakt een cake.

persoonsvorm = bakt 

gezegde = bakt

Hij heeft een cake gebakken

Persoonsvorm = heeft

gezegde = heeft gebakken

Slide 16 - Tekstslide

Naamwoordelijk gezegde

Het naamwoordelijk gezegde zegt wat iemand of iets (het onderwerp) IS (of wordt of blijft).
alle werkwoorden + naamwoordelijk deel
Zij is dokter - is dokter = ng
Zij is dokter geworden = is dokter geworden = ng

Slide 17 - Tekstslide

Oefenen
https://docs.google.com/document/d/1AXBOpZOsir0VFM3_GPDT2Wy4W7dBu_BKxrTGVwwvlUw/edit?usp=sharing








Slide 18 - Tekstslide

Koppelwoorden
In het Nederlands zijn er negen koppelwerkwoorden: zijn, worden, blijven, lijken, blijken, schijnen, heten, dunken en voorkomen.

zijn / worden / blijven








Slide 19 - Tekstslide

Checken hw
 Blz. 179 instapopdracht 1 afmaken
Lezen blz. 181 naamwoordelijk gezegde

Slide 20 - Tekstslide

Les 30 maart

Slide 21 - Tekstslide

Les 2 april

Slide 22 - Tekstslide