In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Onderdelen in deze les
Formatieve evaluatie
A1: Ik kan korte teksten met korte zinnetjes
begrijpen, waarin veel bekende
namen, woorden en uitdrukkingen voorkomen.
Slide 1 - Tekstslide
Instructie
1. Meerkeuzevragen: kies het juiste antwoord.
2. Open vragen: kijk goed of je in het Frans of in het Nederlands moet antwoorden.
Lees eerst de vraag en klik dan terug naar de tekst. Kijk goed welk stuk van de tekst je moet lezen
Slide 2 - Tekstslide
Slide 3 - Tekstslide
Lees de tekst op de vorige pagina globaal door. Welk antwoord is juist?
A
De 4 jongeren hebben allemaal een probleem
B
De 4 jongeren hebben niet alle 4 een probleem
Slide 4 - Quizvraag
Welk antwoord is juist?
A
De jongeren zoeken nieuwe vrienden
B
De jongeren vragen om hulp
Slide 5 - Quizvraag
Lees de tekst nu helemaal. Geef aan of de stelling vrai of faux is. Laura vindt het prettig om in de les met een vriendin mee te kijken
A
Vrai
B
Faux
Slide 6 - Quizvraag
Geef aan of de stelling vrai of faux is. Chantal en haar vriendin vinden Romain allebei leuk.
A
Vrai
B
Faux
Slide 7 - Quizvraag
Geef aan of de stelling vrai of faux is. Marine vindt het eten in de kantine vies.
A
Vrai
B
Faux
Slide 8 - Quizvraag
Geef aan of de stelling vrai of faux is. Marine krijgt vanuit huis een lunch mee.
A
Vrai
B
Faux
Slide 9 - Quizvraag
Geef aan of de stelling vrai of faux is. Alexandre had liever dat zijn broer in een andere klas zou zitten.
A
Vrai
B
Faux
Slide 10 - Quizvraag
Lees het onderstaande advies: 'Explique que tu n’aimes pas ses actions. Vous êtes une famille, pas des ennemis!' Voor wie is dit advies bedoeld en leg uit waarom.
Slide 11 - Open vraag
Lees het onderstaande advies: «Pour toi, elle n’existe pas. Passe ton temps avec ton ami, pas avec elle!» Voor wie is dit advies en leg uit waarom.
Slide 12 - Open vraag
Zoek het onderstreepte woord TOUT in de tekst. Wat betekent dit woord als je kijkt naar de context?
A
Alles
B
Iedereen
C
Niemand
Slide 13 - Quizvraag
Zoek het onderstreepte woord PLUS in de tekst. Wat betekent dit woord als je kijkt naar de context?
A
Hetzelfde
B
Meer
C
Minder
Slide 14 - Quizvraag
Zoek de onderstreepte woorden DES JUMEAUX in de tekst. Wat betekent dit woord als je kijkt naar de context?
A
Buren
B
Neefjes
C
Tweelingen
Slide 15 - Quizvraag
Slide 16 - Tekstslide
Lees de eerste alinea van de tekst op de vorige pagina. Waarom gaat Thierry naar Parc Astérix?
A
Het is een cadeau van zijn ouders
B
Omdat hij entreekaartjes heeft gewonnen
C
Vanwege de verjaardag van zijn vriend
Slide 17 - Quizvraag
Lees nog een keer de eerste alinea. Met wie gaat Thierry naar Parc Astérix?
A
Met Alex
B
Met zijn ouders en zijn broer
C
Met zijn ouders en zijn vrienden
Slide 18 - Quizvraag
Lees nu de hele tekst. Over wie vertelt Thierry het meest?
A
Over zijn broer(s)
B
Over zijn ouders
C
Over zijn vrienden
Slide 19 - Quizvraag
Wat zegt Thierry over het hotel?
A
Thierry deelt een kamer met zijn ouders
B
Thierry en zijn vrienden slapen op één kamer
C
Thierry heeft een eigen kamer
Slide 20 - Quizvraag
Wat hebben Thierry en zijn vader gemeen?
A
Ze houden allebei van pretparken
B
Ze vinden Asterix en Obelix erg leuk
C
Ze zijn dol op Falbala
Slide 21 - Quizvraag
«Michel trouve ça horrible.» (alinea 4). Wat vindt Michel horrible?
A
De achtbaan
B
De snelheid
C
Het water
Slide 22 - Quizvraag
Waar woont Alex?
A
In het buitenland
B
In Parijs
C
In Zuid-Frankrijk
Slide 23 - Quizvraag
Zoek het onderstreepte woord DORMIR in de tekst. Wat betekent dit woord als je kijkt naar de context?
A
Dromen
B
Luieren
C
Slapen
Slide 24 - Quizvraag
Zoek de onderstreepte woorden LES PERSONNAGES PRINCIPAUX in de tekst. Wat betekent dit woord als je kijkt naar de context?
A
De beroemde personen
B
De hoofdpersonen
C
De juiste personen
Slide 25 - Quizvraag
Zoek het onderstreepte woord LA SENSATION in de tekst. Wat betekent dit woord als je kijkt naar de context?