Klas 3 - 'over taal'

Klas 3 - over taal
1 / 17
volgende
Slide 1: Tekstslide

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Klas 3 - over taal

Slide 1 - Tekstslide

Wat gaan jullie vandaag doen? 
  • Jullie krijgen instructie (over taal--> blok 1 t/m 3). 
  • Jullie gaan de opdrachten over taal --> blok 1 t/m 3 maken. 

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
Na deze les: 
  • begrijp je de betekenis van verschillende examenwoorden;
  • begrijp je de betekenis van verschillende woorden uit teksten;
ken je het verschil tussen homoniemen en homofonen;

  • begrijp je wat vakjargon is;
  • begrijp je de betekenis van verschillende spreekwoorden en uitdrukkingen;
  • begrijp je de betekenis van verschillende examenwoorden;
  • begrijp je de betekenis van verschillende woorden uit teksten;
  • weet je wat leenwoorden zijn.


Slide 3 - Tekstslide

Homofoon

Een woord dat hetzelfde klinkt, maar dat je anders schrijft en dat iets anders betekent.


hard - hart 

wei - wij

leiden - lijden

zei - zij

ligt - licht

Slide 4 - Tekstslide

Homoniem
Een woord heeft twee of meer verschillende betekenissen. Uit de tekst kun je zelf vaak wel opmaken om welke betekenis het gaat.

arm: lichaamsdeel / niet rijk
bank: zitmeubel / geldinstelling
gerecht: rechtbank / maaltijd
graven: spitten / adellijke personen
kop: beker / hoofd
koper: iemand die koopt / metaal
kussen: hoofdkussen / zoenen

Slide 5 - Tekstslide

Wat zijn homoniemen?
A
Woorden die hetzelfde betekenen.
B
Woorden in een woordenboek.
C
Woorden die het tegenovergestelde betekenen.
D
Woorden met meerdere betekenissen.

Slide 6 - Quizvraag

Wat zijn homofonen?
A
Woorden die hetzelfde betekenen.
B
Twee woorden die hetzelfde klinken en dezelfde betekenis hebben.
C
Twee woorden die hetzelfde klinken maar een verschillende betekenis hebben.
D
Woorden met meerdere betekenissen.

Slide 7 - Quizvraag

Welke betekenis heeft het volgende homoniem in de zin? Kies het goede antwoord.
Het landgoed rond het slot is gratis te bezoeken.
slot =
A
sluiting, meestal met sleutel
B
einde van een verhaal
C
kasteel

Slide 8 - Quizvraag

Welke betekenis heeft het volgende homoniem in de zin? Kies het goede antwoord.
Fayah wierp nog snel een blik in haar boek voor ze de toets maakte.
blik =
A
kijkje
B
manier van kijken
C
busje van dun staal

Slide 9 - Quizvraag

Welk woord past op de puntjes?

Hij reed veel te ... op de snelweg.
A
hard
B
hart

Slide 10 - Quizvraag

Vakjargon 
Elk vak of beroep heeft eigen woorden die speciaal bij dat vakgebied horen. Zulke woorden noem je vakjargon.

Slide 11 - Tekstslide

Bij welk beroep horen de volgende woorden?
katheter, diagnose, bloeddruk, revalidatie, injectie
A
advocaat (of rechter)
B
verpleegkundige of arts
C
regisseur
D
steward(ess)

Slide 12 - Quizvraag

Bij welk beroep horen de volgende woorden?
burgerlijk wetboek, verdediging, alibi, kort geding, justitie
A
advocaat (of rechter)
B
verpleegkundige of arts
C
regisseur
D
steward(ess)

Slide 13 - Quizvraag

Leenwoorden 
Als mensen uit verschillende culturen met elkaar in contact komen, maken ze kennis met nieuwe dingen. Ze leren dan over gerechten, kleding en technieken waar in hun eigen taal nog geen woorden voor bestaan. Vaak wordt het woord uit de vreemde taal dan overgenomen in de eigen taal. Zo’n woord heet een leenwoord.

Slide 14 - Tekstslide

Uit welke taal komen de volgende leenwoorden?
baby, team
A
Engels
B
Frans
C
Duits
D
Arabisch

Slide 15 - Quizvraag

Uit welke taal komen de volgende leenwoorden?
bagage, horloge
A
Engels
B
Frans
C
Duits
D
Arabisch

Slide 16 - Quizvraag

Aan de slag! 
  • Je gaat de opdrachten van over taal maken (blok 1 t/m 3) --> dit is huiswerk voor na de vakantie. 
  • Klaar? Dan ga je verder aan over taal (blok 4 t/m 6).  

Slide 17 - Tekstslide