Hoofdstuk 6 herhaling

Herhaling hoofdstuk 6
1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 3

In deze les zitten 22 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Herhaling hoofdstuk 6

Slide 1 - Tekstslide

Regels
Boek en schrift gaan even dicht.
Iedereen let op.
Doe mee! Zo niet, dan mond dicht!
Er wordt niet geroepen door de klas

Slide 2 - Tekstslide

Woordenschat H6

Slide 3 - Tekstslide

DOEL

Woordraadstrategieën gebruiken om achter de betekenis van onbekende woorden te komen.

- synoniemen

- omschrijving

- voorbeeld

- tegenstelling

- bekend woorddeel


Slide 4 - Tekstslide

SYNONIEM


 Synoniemen zijn twee of meer verschillende woorden met (ongeveer) dezelfde betekenis.


Soms staat er een synoniem van een onbekend woord in de tekst, je kunt de betekenis van het onbekend woord dan raden.

Slide 5 - Tekstslide

OMSCHRIJVING - voorbeelden


journalist - iemand die informatie verzamelt en openbaar maakt op internet, tv of krant


actualiteit - alles wat op dit moment belangrijk is

Slide 6 - Tekstslide

Tegenstellingen zoeken

Tegenstellingen zijn woorden die elkaars tegengestelde zijn. Soms kun je de betekenis van een onbekend woord raden, omdat de tegenstelling van dat woord in de tekst staat.


Woorden als maar, echter, toch en daarentegen geven aan dat er een tegenstelling wordt genoemd.


Slide 7 - Tekstslide

Overdrijving 
De hyperbool is de stijlfiguur van overdrijving.

  • Ik ben in een seconde terug.
  • Ik heb me doodgelachen.
  • Ik sterf van de honger.

Slide 8 - Tekstslide

Overdrijving of ironie
Minke schreef met koeienletters.
= overdrijving

Lekker dan, nu heeft iedereen opeens een pasje nodig om het afval weg te gooien.
= ironie

Slide 9 - Tekstslide

Ironie
Bij ironie zeg je het tegenovergestelde van wat je bedoelt
Een ander woord voor ironie is een milde vorm van sarcasme
Sarcasme is  bijtende spot.

Slide 10 - Tekstslide

Ironie
Heeft hij het zwaar?

Slide 11 - Tekstslide

Ironie
Bij ironie zeg je het tegenovergestelde van wat je bedoelt
Een ander woord voor ironie is een milde vorm van sarcasme
Sarcasme is  bijtende spot.

Slide 12 - Tekstslide

Let vooral op




Maak opdracht 4 nog een keer 
Lees tekst 2 op bladzijde 158-159

Slide 13 - Tekstslide

Taalverzorging H6
koppelteken en trema

Slide 14 - Tekstslide

Functies koppelteken
Hoofdfunctie
Het voorkomen van klinkerbotsing bij het lezen.

Wij kennen in het Nederlands veel klanken: oe, au, oa, ei, ij, ie, eu, ee, aa, enz.
Als deze letters wel naast elkaar staan, maar niet als één klank mogen worden uitgesproken, gebruik je het koppelteken.
--> radiouitzending
--> radio-uitzending

Slide 15 - Tekstslide

Koppelteken (-) kort samengevat


Het koppelteken schrijf je tussen twee delen van een samenstelling:


1. als de samenstelling verkeerd uitgesproken kan worden

2. in aardrijkskundige aanduidingen

3. voor of na een hoofdletter

4. na een cijfer, afkorting of symbool


Slide 16 - Tekstslide

Het trema
Het trema gebruik je bij een klinkerbotsing. 
Hierbij kun je denken aan de klanken au, ou, oe, ei, ie, ui, eu,en ij.

Het trema maakt dus duidelijk dat het om 2 klinkers gaat, en niet om 1 klank.
Bijvoorbeeld: 
- reunie --> reünie
- concierge --> conciërge

Zonder trema kun je het woord anders uitspreken.

Slide 17 - Tekstslide

Taalverzorging H6 
Foutloos schrijven

Slide 18 - Tekstslide

Foutloos schrijven
  • Maak je zinnen niet te lang en gebruik geen ingewikkelde woorden of zinnen.
  • Gebruik de spellingcontrole van je computer, maar onthoud dat de spellingcontrole niet alle fouten ontdekt en zelf ook weleens fout zit.
  • Laat iemand anders je tekst controleren op taal- en spelfouten.

Slide 19 - Tekstslide

Foutloos schrijven
Controleer de werkwoorden met het schema voor de werkwoordspelling: 
  • Welke werkwoorden zijn allemaal persoonsvormen?
  • Zijn de persoonsvormen geschreven volgens de regels? 
  • Zijn de andere werkwoorden juist gespeld?

Slide 20 - Tekstslide

Foutloos schrijven
Controleer je tekst op slordigheden:
  • Heb je geen letters vergeten? 
  • Beginnen alle namen en zinnen met een hoofdletter? 
  • Heb je woorden aan elkaar geschreven die aan elkaar moeten? 
  • Heb je koppeltekens en trema’s gebruikt waar dat moet? 
  • Staan de leestekens op de goede plaats?


Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide