H5 Pythagoras - feitentest

Feitentest
 H6 De stelling van Pythagoras

2 Vwo
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Feitentest
 H6 De stelling van Pythagoras

2 Vwo

Slide 1 - Tekstslide

Aan de slag
Hierna volgen 16 vragen over H6. 
Je hoeft nergens te rekenen, het test je algemene feitenkennis over H6. 
Op het eind nog 2 vragen over hoe goed je het hoofdstuk beheerst en waar je nog vragen over hebt. 

Slide 2 - Tekstslide

In welk soort driehoek kun je de stelling van Pythagoras toepassen?
A
gelijkbenige driehoek
B
gelijkzijdige driehoek
C
rechthoekige driehoek
D
elk soort driehoek

Slide 3 - Quizvraag

Sleep het juiste antwoord naar de stelling
De stelling van Pythagoras.
In elke rechthoekige driehoek geldt:
rechthoekszijde + rechthoekszijde = schuine zijde
rechthoekszijde2 + rechthoekszijde2 = schuine zijde2

Slide 4 - Sleepvraag

Zijde AC is een
A
Rechthoekszijde
B
Schuine zijde

Slide 5 - Quizvraag

Is QR een rechthoekszijde?
A
Ja
B
Nee

Slide 6 - Quizvraag

In een rechthoekige driehoek
I. Is de overstaande zijde van de rechte hoek een rechthoekszijde
II. Geldt de stelling van Pythagoras
A
Stelling I is waar Stelling II is waar
B
Stelling I is waar Stelling II is niet waar
C
Stelling I is niet waar Stelling II is waar
D
Stelling I is niet waar Stelling II is niet waar

Slide 7 - Quizvraag

welke zijden zijn de rechtshoekzijden in deze driehoek?
A
PQ en QR
B
PR en QR
C
PQ en PR

Slide 8 - Quizvraag

Wat is de stelling van Pythagoras voor deze driehoek?
A
PQ2+QR2=PR2
B
PQ2+PR2=QR2
C
PR2+QR2=PQ2
D
PR2+PQ2=QR2

Slide 9 - Quizvraag

Leg uit wat je moet doen als je een rechthoekszijde gaat berekenen

Slide 10 - Open vraag

Met de omgekeerde stelling van Pythagoras kan je:
A
Nagaan of een driehoek rechthoekig is
B
Een rechthoekszijde uitrekenen
C
De omgekeerde stelling bestaat niet

Slide 11 - Quizvraag

Zet het werkschema in de juiste volgorde
1
2
3
4
Maak een schets van de situatie
Bereken de gevraagde lengte met de stelling van Pythagoras
Zoek rechthoekige driehoeken. Teken zo nodig hulplijnen
Verwerk de gegevens in de schets en zet letters bij belangrijke punten

Slide 12 - Sleepvraag

Bij een doorsnede:
I. zijn de randen in elk zijvlak van evenwijdige doorsneden evenwijdig
II. Van elke doorsnede zijn de randen in evenwijdige zijvlakken niet evenwijdig
A
Stelling I is waar Stelling II is waar
B
Stelling I is niet waar Stelling II is niet waar
C
Stelling I is waar Stelling II is niet waar
D
Stelling I is niet waar Stelling II is waar

Slide 13 - Quizvraag

Welke lijn is een
lichaamsdiagonaal?

A
AB
B
AG
C
AF
D
BD

Slide 14 - Quizvraag

Hoe heet de blauwe doorsnede?
A
ACEG
B
ACGE
C
diagonaalvlak
D
lichaamsdiagonaal

Slide 15 - Quizvraag

in welk diagonaalvlak ligt lichaamsdiagonaal CE?
A
BDHF
B
ABGH
C
ACGE

Slide 16 - Quizvraag

benoem de lichaamsdiagonaal in het diagonaalvlak
A
AF
B
BH
C
CE
D
BG

Slide 17 - Quizvraag

Omschrijf de uitgebreide stelling van Pythagoras

Slide 18 - Open vraag

De schuine zijde....
A
staat altijd tegenover de rechte hoek
B
ligt aan de rechte hoek

Slide 19 - Quizvraag

Ik heb een driehoek ABC
Met hoek C is de rechte hoek
Welke zijde is de schuine zijde?
A
AC
B
BC
C
AB

Slide 20 - Quizvraag

Wat toon ik aan met de omgekeerde stelling van pythagoras?
A
Of de driehoek een gelijkbenige driehoek is
B
Dat de schuine zijde de langste zijde is
C
of de driehoek een gelijkzijdige driehoek is
D
of de driehoek een rechthoekige driehoek is

Slide 21 - Quizvraag

Als mijn hoek A een rechte hoek is in de driehoek ABC dan zijn mijn rechthoekzijdes
A
AB, BC
B
AB, AC
C
AC, BC

Slide 22 - Quizvraag

In een gelijkbenige driehoek kan ik toch rekenen met Pythagoras.
Wat moet ik hiervoor doen?
A
De stelling van Pythagoras omgekeerd gebruiken
B
Een loodrechte hulplijn tekenen
C
Van de driehoek een rechthoek maken
D
De verlengde stelling van Pythagoras toepassen

Slide 23 - Quizvraag

Stelling:
Om het lichaamsdiagonaal te bereken moet ik de lengte, breedte en hoogte kwadrateren. Dit bij elkaar optellen en vervolgens de wortel hiervan nemen
A
Waar
B
Niet waar

Slide 24 - Quizvraag

Op een schaal van 1 t/m 10. Hoe goed beheers je dit hoofdstuk
010

Slide 25 - Poll

Welk(e) onderdeel/onderdelen van dit hoofdstuk vind je nog lastig?

Slide 26 - Open vraag