Een veearts brengt met opzet gezonde koeien in een met mond-en-klauwzeer besmette stal. Het is zijn bedoeling om het vee, dat de zeer besmettelijke ziekte waarschijnlijk toch krijgt, ziek te laten worden nu het nog ‘droog’ staat. De koeien worden daardoor minder ziek dan wanneer ze de ziekte later krijgen als ze alweer melk geven. Maar het opzettelijk besmetten van vee is op grond van de (toenmalige) Veewet strafbaar. Bij de rechter geeft de veearts toe dat hij de wet heeft overtreden, maar hij stelt dat zijn handelen niet in strijd is met het recht omdat hij heeft gehandeld uit zorg voor de dieren en op basis van de nieuwste medische inzichten. De rechter is het eens met de veearts: ook iemand die alle bestanddelen van een delictsomschrijving vervult, kan in een bijzonder geval niet strafbaar zijn omdat zijn daad niet wederrechtelijk is (HR 20 februari 1933, NJ 1933, 918).