Herhaling H2 Krachten

Leerdoelen
Ik kan berekeningen uitvoeren met de veerconstante
ik kan berekeningen uitvoeren met de hefbomenwet
ik kan rekenen met zwaartekracht
Ik kan een krachtenschaal toepassen
1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Leerdoelen
Ik kan berekeningen uitvoeren met de veerconstante
ik kan berekeningen uitvoeren met de hefbomenwet
ik kan rekenen met zwaartekracht
Ik kan een krachtenschaal toepassen

Slide 1 - Tekstslide

Planning
- TestFox deeltoets  ( 15 Min)
- Herhalen paragraaf 1 t/m 3 ( 45 MIN)
- Lastige oefenopgave maken + uitwerken ( 15 min)

Slide 2 - Tekstslide

Het symbool voor zwaartekracht is
A
F
B
Fz
C
Fv
D
Fs

Slide 3 - Quizvraag

Wat is de eenheid van zwaartekracht?
A
Watt
B
Ampere
C
Newton
D
Volt

Slide 4 - Quizvraag

Herhaling H2 Krachten


Kracht is een grootheid met als symbool de F (Force)

De eenheid van kracht is Newton (N)


Slide 5 - Tekstslide

VERSCHILLENDE 
KRACHTEN 

Fspier   Spierkracht

Fz         Zwaartekracht

Fm       Magnetische kracht

Fn        Normaalkracht

Fv        Veerkracht

Fspan  Spankracht

Slide 6 - Tekstslide

Hoe bereken je veerkracht

A
Fv= C x t
B
Fv= C x u
C
Fv= C x v
D
Fz= m x g

Slide 7 - Quizvraag

Op een voorwerp van 3,5 kg werkt de zwaartekracht.
Hoe groot is de zwaartekracht?
A
0,34 N
B
3,4 N
C
34,3 N
D
343 N

Slide 8 - Quizvraag

Zwaartekracht

Fz = m x g

Waarbij:

Fz = zwaartekracht in Newton (N)

m = massa in kilogrammen (kg)

g = (gravitatieconstante) 9,8 N/kg

Slide 9 - Tekstslide

De veerkracht is evenredig met?
A
de grote van de kracht
B
de uitrekking
C
de zwaartekracht-versnelling
D
de veerconstante

Slide 10 - Quizvraag

Een gewichtje hangt aan een veerunster. Wat weten we over de zwaartekracht en de veerkracht?
A
Die zijn even groot
B
De veerkracht is groter dan de zwaartekracht
C
De zwaartekracht is groter dan de veerkracht

Slide 11 - Quizvraag

Veerkracht
Als je een veerkrachtig materiaal indrukt of uittrekt, voel je dat het materiaal terug duwt of trekt. 
Dit is de veerkracht.

C = F/u

Slide 12 - Tekstslide

Een veer heeft een veerconstante van 24 N/m en wordt 7,0 cm uitgerekt. Bereken de veerkracht
A
168 N
B
170 N
C
1,68
D
1,68 . 10 ^2 N

Slide 13 - Quizvraag

Een veer is 20 cm lang. er wordt een kracht van 2N uitgeoefend. De veer wordt 25 cm lang
Bereken de veerconstante

Slide 14 - Open vraag

Bereken hoe lang de veer wordt als er een massa van 600 gram aanhangt
Tip Gebruik  de veerconstante van 0,4 N/ cm

Slide 15 - Open vraag

Kracht
Krachtenpijl of vector

Slide 16 - Tekstslide

De zwaartekracht van de meneer is...
A
12,8 N
B
100 N
C
780 N

Slide 17 - Quizvraag

krachtenschaal
In een krachtentekening wordt een krachtenschaal gebruikt. Deze geeft aan hoe groot de kracht is van een vector van 1 cm.

Bijvoorbeeld: 1 cm ≙ 500 N
iedere cm stelt een kracht voor van 500 N

Slide 18 - Tekstslide

Aan een krachtmeter hangt een blokje. Wat geeft de middelste krachtmeter aan?
A
7,2 N
B
7,5 N
C
7,7 N

Slide 19 - Quizvraag

Herkennen van een kracht

Waar kan je aan herkennen dat er een kracht werkt?

  • verandering van vorm (elastisch en plastisch)
  • verandering van beweging (langzamer of sneller)
  • verandering van richting

Slide 20 - Tekstslide

Davey laat 2 honden uit. hond 1 trekt met 200 N. Hond 2 trekt met 400 N.
Beide honden trekken dezelfde kant op
Bereken de resultante kracht

Slide 21 - Open vraag

Op wat is de resultante kracht groter?
A
Een doos die stilstaat op de grond.
B
Een voetbal die met constante snelheid naar een doel vliegt.
C
De resultante kracht is op beide even groot.

Slide 22 - Quizvraag

Resultante kracht

Slide 23 - Tekstslide

11. Als de resultante kracht op een voorwerp -100N zijn dan gaat het voorwerp
A
Versnellen
B
Snelheid blijft constant
C
Vertragen

Slide 24 - Quizvraag

Hefboom
Een hefboom heeft:
  • Een draaipunt
  • Een korte arm (grote kracht)
  • Een lange arm (kleine kracht)

Slide 25 - Tekstslide

Is deze hefboom in evenwicht?
A
Ja, de hefboom is in evenwicht
B
Nee, draait naar links
C
Nee, draait naar rechts

Slide 26 - Quizvraag

Rekenen met hefbomen

Voor evenwicht:

Kracht 1 x arm 1 = kracht 2 x arm 2

Slide 27 - Tekstslide

Is de hefboom in evenwicht?

F1×l1=F2×l2
F1×l1=F2×l2
Fl×rl=Fr×rr
A
De hefboom is in evenwicht.
B
De hefboom is niet in evenwicht.

Slide 28 - Quizvraag

F bij hefboom a is
A
64 m
B
9,0 Nm
C
0,090 mN
D
9,0 N

Slide 29 - Quizvraag

Werktuigen: twee momenten
Jouw uitgeoefende moment --> F1 x r1
Moment die de sleutel uitoefent op de moer --> F2 x r2
Draaipunt

F1 x r1 = F2 x r2 

Slide 30 - Tekstslide

Hoe ver kan de poes op de plank lopen?
De poes heeft een massa van 3,22 kg.

De plank is 3,0 m en weegt 4,9 kg 
De plank steekt 1,0 meter buiten de kade uit.
Bepaal eerst het zwaartepunt van de plank!
Bepaal daarna het Moment van de plank!

Slide 31 - Tekstslide

Uitwerking
Zplank = 3,0 / 2 - 1,0 = 0,5 m = rplank

Slide 32 - Tekstslide

Uitwerking
Zplank = 3,0 / 2 - 1,0 = 0,5 m = rplank
Fz,plank = 9,8 x 4,9 = 48,02 N

Slide 33 - Tekstslide

Uitwerking
Zplank = 3,0 / 2 - 1,0 = 0,5 m = rplank
Fz,plank = 9,8 x 4,9 = 48,02 N
Mplank = 48,02 x 0,5 = 24,01 Nm

Slide 34 - Tekstslide

Uitwerking
Zplank = 3,0 / 2 - 1,0 = 0,5 m = rplank
Fz,plank = 9,8 x 4,9 = 48,02 N
Mplank = 48,02 x 0,5 = 24,01 Nm
Voor evenwicht: Mplank = Mpoes

Slide 35 - Tekstslide

Uitwerking
Zplank = 3,0 / 2 - 1,0 = 0,5 m = rplank
Fz,plank = 9,8 x 4,9 = 48,02 N
Mplank = 48,02 x 0,5 = 24,01 Nm
Voor evenwicht: Mplank = Mpoes
24,01 Nm= Fz,poes x rpoes = (9,8 x 3,22) x rpoes 

Slide 36 - Tekstslide

Uitwerking
Zplank = 3,0 / 2 - 1,0 = 0,5 m = rplank
Fz,plank = 9,8 x 4,9 = 48,02 N
Mplank = 48,02 x 0,5 = 24,01 Nm
Voor evenwicht: Mplank = Mpoes 
24,01 Nm= Fz,poes x rpoes = (9,8 x 3,22) x rpoes 
rpoes = 24,01 / 31,56 = 0,76 m

Slide 37 - Tekstslide

Antwoord
De poes kan dus 0,76 meter verder op de plank lopen voordat deze omkiept

Slide 38 - Tekstslide

Succes met leren en tot volgende week!

Slide 39 - Tekstslide