Seizoenen: volgorde en kenmerken

Seizoenen: volgorde en kenmerken

1 / 23
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 2Leerroute 3Leerroute 4

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Seizoenen: volgorde en kenmerken

Hoe ziet de les eruit?

  • terugblik

  • doel

  • aan slag met vragen in lesson-up

  • evaluatie

Terugblik

Wat weet je over de seizoenen?

Doel

Aan het einde van deze les kun je de volgorde van de seizoenen benoemen en de kenmerken van het seizoen bij het juiste seizoen plaatsen.

Wat is een seizoen?

Een seizoen is een periode van het jaar met typische weersomstandigheden. Er zijn vier seizoenen.

De volgorde van de seizoenen

De seizoenen volgen elkaar in deze volgorde: lente, zomer, herfst, winter. Daarna begint het weer opnieuw.

Kenmerkend voor de lente

In de lente worden dagen langer, groeit er nieuw groen, en krijgen dieren jongen.

Zomerse kenmerken

In de zomer is het vaak warm, groeien veel planten en hebben mensen zomervakantie.


Winterse kenmerken

In de winter zijn de dagen kort, kan het vriezen of sneeuwen en houden sommige dieren een winterslaap.
De bomen worden kaal.

Herfst: wat zie je?

In de herfst worden bladeren bruin en vallen van de bomen. Het regent vaker en het wordt kouder.

Quiz

Luister goed naar de vraag en geef antwoord.

Welke maand begint de lente?

A

Februari

B

November

C

Maart

D

Juli

Wat gebeurt er in de herfst?

A

Bladeren vallen van de bomen

B

Dagen worden langer

C

Het wordt warmer

D

Bloemen gaan bloeien

Wat komt na de winter?

A

Herfst

B

Seizoen

C

Zomer

D

Lente

Welke feestdag valt in de winter?

A

Halloween

B

Kerstmis

C

Pasen

D

Zomerfeest

Wat komt na de herfst?

A

Winter

B

Seizoen

C

Zomer

D

Lente

Wat is kenmerkend voor de zomer?

A

Koude wind

B

Hoge temperaturen

C

Sneeuwval

D

Donkere dagen

Wanneer begint de winter?

A

22 maart

B

1 januari

C

30 juni

D

21 december

Wat komt na de lente?

A

Herfst

B

Seizoen

C

Zomer

D

Winter

Wat komt na de zomer?

A

Herfst

B

Seizoen

C

Lente

D

Winter

Kun jij de seizoenen opnoemen?

Probeer nu in de juiste volgorde de seizoenen te noemen en bij ieder seizoen één kenmerk te geven.

Ik kan de seizoenen in de juiste volgorde noemen?