Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht
Mark Haddon
De vijftienjarige Christopher weet veel van wiskunde, maar weinig van mensen. Hij houdt van lijstjes, patronen en de waarheid. Hij houdt niet van de kleuren geel en bruin en hij wil niet aangeraakt worden. Christopher is in zijn eentje nooit verder geweest dan het einde van de straat. Maar wanneer blijkt dat de hond van de buurvrouw vermoord is, gaat hij op onderzoek uit. Hij begint aan een onvergetelijke reis die zijn veilige wereld volledig op zijn kop zet.
Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.
Zelfstandig naamwoord
Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.
Benoemen personen, dieren, dingen en plaatsen.
Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.
Bijvoeglijk naamwoord
Duiden eigenschappen of toestanden aan.
Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.
Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.
Voornaamwoord
Verwijzen naar personen of dingen
zonder ze te noemen.
Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.
Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.
Werkwoord
Drukken een handeling, een gebeuren of een toestand uit.
Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.
Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.
Bijwoord
Geven extra info over werkwoord,
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord of hele zin.
Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.
Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.
Voorzetsel
Geven relatie aan tussen woorden of woordgroepen.
Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.
Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.
Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.
Voegwoord
Voegen zinnen, woordgroepen en woorden aan elkaar.
Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.
Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.
Lidwoord
De lidwoorden zijn de, het en een.
Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.
Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.
Telwoord
Drukken aantal of rangorde uit.
Welke woorden zijn een zelfstandig naamwoord?
De hond heette Wellington.
De
hond
heette
Wellington
Welke woorden zijn een lidwoord?
Wellington was een poedel.
Wellington
was
een
poedel
Welke woorden zijn een bijvoeglijk naamwoord?
Niet zo’n kleine poedel met een kapsel, maar een grote poedel.
kleine
poedel
grote
kapsel
Welke woorden zijn een werkwoord?
Toen kwam de politie, ik hou van de politie.
Toen
kwam
hou
politie
Welke woorden zijn een zelfstandig naamwoord?
Ze hebben uniformen en cijfers
en je weet wat ze moeten doen.
en
uniformen
cijfers
wat
Welke woorden zijn een voornaamwoord?
De agent pakte me bij mijn arm en tilde me overeind.
me
bij
mijn
overeind
Welke woorden zijn een bijwoord?
Ik vond het niet leuk dat hij me zo aanraakte.
vond
niet
leuk
zo
Welke woorden zijn een voornaamwoord?
En toen sloeg ik hem.
toen
sloeg
ik
hem
Welke woorden zijn een bijvoeglijk naamwoord?
Dit wordt geen grappig boek.
Dit
geen
grappig
boek
Welke woorden zijn een werkwoord?
De agent keek me even zwijgend aan.
agent
keek
even
zwijgend
Welke woorden zijn een voorzetsel?
Toen zei hij: ‘Je wordt aangehouden
wegens geweldpleging tegen een politieman.’
Toen
aangehouden
wegens
tegen
Welke woorden zijn een telwoord?
Het was twaalf na één toen vader op het politiebureau aankwam.
twaalf
één
toen
het
Ga naar Scoodle
Deel 4 - hoofdstuk 11
Maak oefeningen van de woordsoorten waar je het meest mee worstelt.
10 minuten
Scoodle: Woordsoorten
Ga naar play.blooket.com.
Geef de juiste code in.
Elke zin bevat een woord in drukletters. Wat is de juiste woordsoort?
8 minuten
Blooket: Woordsoorten
Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht
Mark Haddon