Woordsoorten - 3 D/A

1 / 35
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsSecundair onderwijs

In deze les zitten 35 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht

Mark Haddon


De vijftienjarige Christopher weet veel van wiskunde, maar weinig van mensen. Hij houdt van lijstjes, patronen en de waarheid. Hij houdt niet van de kleuren geel en bruin en hij wil niet aangeraakt worden. Christopher is in zijn eentje nooit verder geweest dan het einde van de straat. Maar wanneer blijkt dat de hond van de buurvrouw vermoord is, gaat hij op onderzoek uit. Hij begint aan een onvergetelijke reis die zijn veilige wereld volledig op zijn kop zet.



Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.

Zelfstandig naamwoord

Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.

Benoemen personen, dieren, dingen en plaatsen.

Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.

Bijvoeglijk naamwoord

Duiden eigenschappen of toestanden aan.

Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.

Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.

Voornaamwoord

Verwijzen naar personen of dingen

zonder ze te noemen.

Het was 7 minuten na middernacht. De hond lag midden op het gazon voor het grote huis van mevrouw Shears. Zijn ogen waren dicht. Het leek of hij liggend op z’n zij rende, zoals honden rennen als ze in een droom denken dat ze achter een gevaarlijke kat aan zitten.

Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Werkwoord

Drukken een handeling, een gebeuren of een toestand uit.

Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Bijwoord

Geven extra info over werkwoord,

bijvoeglijk naamwoord, bijwoord of hele zin.

Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Voorzetsel

Geven relatie aan tussen woorden of woordgroepen.

Maar de hond rende niet en sliep niet. De hond was dood. Er stak een spitvork uit de hond. De tanden van de vork moeten dwars door de hond heen de grond in zijn gegaan, want de vork was niet omgevallen.

Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.

Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.

Voegwoord

Voegen zinnen, woordgroepen en woorden aan elkaar.

Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.

Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.

Lidwoord

De lidwoorden zijn de, het en een.

Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.

Ik besloot dat de hond waarschijnlijk met de vork vermoord was. Ten eerste omdat ik geen andere wonden zag en ten tweede denk ik niet dat je een spitvork in een hond zou steken die om een andere reden was doodgegaan, zoals bijvoorbeeld kanker, of een verkeersongeluk. Maar daar kon ik niet zeker van zijn.

Telwoord

Drukken aantal of rangorde uit.

Welke woorden zijn een zelfstandig naamwoord?


De hond heette Wellington.

A

De

B

hond

C

heette

D

Wellington

Welke woorden zijn een lidwoord?


Wellington was een poedel.

A

Wellington

B

was

C

een

D

poedel

Welke woorden zijn een bijvoeglijk naamwoord?


Niet zo’n kleine poedel met een kapsel, maar een grote poedel.

A

kleine

B

poedel

C

grote

D

kapsel

Welke woorden zijn een werkwoord?


Toen kwam de politie, ik hou van de politie.

A

Toen

B

kwam

C

hou

D

politie

Welke woorden zijn een zelfstandig naamwoord?


Ze hebben uniformen en cijfers

en je weet wat ze moeten doen.

A

en

B

uniformen

C

cijfers

D

wat

Welke woorden zijn een voornaamwoord?


De agent pakte me bij mijn arm en tilde me overeind.

A

me

B

bij

C

mijn

D

overeind

Welke woorden zijn een bijwoord?


Ik vond het niet leuk dat hij me zo aanraakte.

A

vond

B

niet

C

leuk

D

zo

Welke woorden zijn een voornaamwoord?


En toen sloeg ik hem.

A

toen

B

sloeg

C

ik

D

hem

Welke woorden zijn een bijvoeglijk naamwoord?


Dit wordt geen grappig boek.

A

Dit

B

geen

C

grappig

D

boek

Welke woorden zijn een werkwoord?


De agent keek me even zwijgend aan.

A

agent

B

keek

C

even

D

zwijgend

Welke woorden zijn een voorzetsel?


Toen zei hij: ‘Je wordt aangehouden

wegens geweldpleging tegen een politieman.’

A

Toen

B

aangehouden

C

wegens

D

tegen

Welke woorden zijn een telwoord?


Het was twaalf na één toen vader op het politiebureau aankwam.

A

twaalf

B

één

C

toen

D

het

  • Ga naar Scoodle

  • Deel 4 - hoofdstuk 11

  • Maak oefeningen van de woordsoorten waar je het meest mee worstelt.

  • 10 minuten

Scoodle: Woordsoorten

  • Ga naar play.blooket.com.

  • Geef de juiste code in.

  • Elke zin bevat een woord in drukletters. Wat is de juiste woordsoort?

  • 8 minuten

Blooket: Woordsoorten

Het wonderbaarlijke voorval met de hond in de nacht

Mark Haddon