Onderweg: reizen in het Duits
Onderweg: reizen in het Duits
Leerdoel van deze les
Aan het eind van deze les kun je vertellen hoe je reist, vervoer beschrijven en belangrijke Duitse reiszinnen gebruiken.
Hoe ga je op reis?
In het Duits benoem je verschillende vervoermiddelen zoals de trein (der Zug), de fiets (das Fahrrad), of de bus (der Bus).
Aufgabe 1
Wat ga je doen?: Je zoekt de woorden op en schrijft ze in het Duits op.
Bij opdracht 3a) 5+6 moet je twee vervoersmiddelen tekenen.
minute
second
Wie komme ich zum Goetheplatz?
Aufgabe 2
Slide tekst
Das Eckenspiel
logeren
treffen uns
im Cafe.
Weekend
Wochentage: Ma-di-mi-do-Fr
naar vertalen (persoon)
om 13.00 uur
wachten
op jou
Ich freue mich wenn du kommst!
naar de station.
met de bus en auto.
het weer
vaak
soms
Die Temperatur liegt bei ...
Wil jij?
Darfst du?
kom jij?
Bis Mittwoch!
gistern
verletzt
weil
Mir geht es schlecht.
bij mij thuis.
zelden
Wie ist das Wetter heute?
Wie geht es dir?
Aufgabe 1
Je maakt opdracht 9a zelfstandig.
Tijd: 1 min
Bij opdracht 9b luister je naar het fragment en kruis je de juiste antwoorden (1 t/m 9) aan.
minute
second
Hausaufgabe
Schrijf een dialoog in het Duits waarin iemand de weg vraagt. Gebruik begroetingen, een vraag om hulp, een routebeschrijving en een korte afsluiting.
Beginsituatie:
Een Duitser komt naar Beverwijk op vakantie. Hij/zij woont bij zijn/haar zus in Heemskerk, Duitslandlaan 3, en wil graag nog de laatste boodschappen doen in de dichtstbijzijnde winkel voordat hij/zij weer terugrijdt. Voor de deur komt hij/zij iemand tegen en vraagt naar de dichtstbijzijnde supermarkt. Bekijk op Google Maps welke supermarkt het dichtstbij is en beschrijf de weg ernaartoe in het Duits.
minute
second
Hulp
Slide tekst
Hulpmiddel (kapstokzinnen – geen volledig antwoord):
Route uitleggen:
Fahren Sie / Gehen Sie …
… Meter geradeaus
Dann biegen Sie links / rechts ab
An der … Straße
Nehmen Sie die erste / zweite Straße links / rechts
Extra vraag stellen:
Wie komme ich dorthin?
Afsluiting:
Vielen Dank.
Gerne.
Tschüss / Auf Wiedersehen. tekst
Begin (vraag stellen):
Entschuldigen Sie, können Sie mir sagen, …
Wo ist / gibt es … ?
Ist das in der Nähe von hier?
Antwoord geven (plaats noemen):
Ja, klar!
Der/Die/Das … ist …
(bijv. ein Supermarkt / eine Schule / ein Bahnhof)
Antwoord
Duitser: Entschuldigen Sie, können Sie mir sagen, wo der nächste Supermarkt ist? Ist das in der Nähe von hier.
Inwoner: Ja, klar! Der nächste Supermarkt ist der Albert Heijn im Europaplein.
Duitser: Wie komme ich dorthin mit dem Auto?
Inwoner: Fahren Sie etwa 50 Meter geradeaus bis zum Kreisverkehr und biegen Sie dann rechts ab. An der Beneluxlaan nehmen Sie die zweite Straße links.
Duitser: Vielen Dank.
Inwoner: Gerne. Gute Reise. Tschüss.
Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.
Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.
Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.