Donderdag 23 februari BN

Donderdag 23 februari
1 / 11
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 1

In deze les zitten 11 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Donderdag 23 februari

Slide 1 - Tekstslide


Lesdoel
Na deze les weten jullie:

  • Weer wat een (b)lw en zn is
  • Hoe je bijvoeglijke naamwoorden kan herkennen



Spelling - bijvoeglijk naamwoord

Slide 2 - Tekstslide

herhaling lw en zn
(b)lw = de, het, een>(onbepaald lw)
zn = mens, dier, plant, ding of gevoel
dochter, bloemist, zeehond, tulp, liefde, dorp, Tim, meneer
Herken je aan: verkleinwoord maken, enkelvoud/meervoud kunt er een lw voor zetten.

Slide 3 - Tekstslide


Wat is een bijvoeglijk naamwoord?



Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Een bijvoeglijk naamwoord (bn) zegt iets over een zelfstandig naamwoord (zn). Het geeft extra informatie over het zn.

  • 1Ma is een leuke klas.
  • Die grappige Bas weet het altijd beter.
  • Ons vakantiehuis is prachtig.

Slide 4 - Tekstslide


Hoe schrijf je een bijvoeglijk naamwoord?



Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Vaak komt er een -e achter het woord (lange vorm), maar niet altijd (korte vorm).

  • Een leuke klas / De klas is leuk.
  • De grappige jongen / De jongen is grappig.
  • Het prachtige vakantiehuis / Een prachtig vakantiehuis.

Slide 5 - Tekstslide

Trappen van vergelijking
Bij de meeste bn kun je de trappen van vergelijking gebruiken.
spannend > spannender > spannendst
mooi > mooier > mooist
hoog > hoger > hoogst

Slide 6 - Tekstslide


Stoffelijk bijvoeglijk naamwoord



Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Is het bijvoeglijk naamwoord een materiaal (stof)? Dan noem je het een stoffelijk bn. Je schrijft het bn dan bijna altijd met -en.
Een stoffelijk bn heeft maar één vorm > koperen, houten, zilveren.
Dit bn staat altijd voor een zn. 
Heeft geen trappen van vergelijking zoals > mooi, mooier en mooist.

  • De gouden beker
  • De papieren versie
  • Het katoenen shirtje
  • De wollen sjaal

Slide 7 - Tekstslide


Samen oefenen




Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?
Let op de spelling van het woord als je er -e of -en erachter plakt
  1. Jerry draagt een (stoer) jasje.
  2. Want hij is een (cool) jongen.
  3. Hij heeft het gekregen van zijn (lief) moeder.
  4. Die (zilver) mouwen zijn echt heel dope.
  5. Ik heb (metaal) velgen gekocht voor mijn racefiets.
  6. In dat (knus) huis woont haar opa.
  7. Het is net een (goud) kooi.
  8. Dat is een (schitterend) verhaal.
  9. Ik krijg er bijna (vochtig) ogen van.



  • Pak pen & een schrift
  • Noteer de juiste vorm
  • Je hebt 3 minuten de tijd

timer
3:00

Slide 8 - Tekstslide


Samen oefenen




Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Wat is de correcte vorm van het bijvoeglijk naamwoord?

  1. Jerry draagt een stoer jasje.
  2. Want hij is een coole jongen.
  3. Hij heeft het gekregen van zijn lieve moeder.
  4. Die zilveren mouwen zijn echt heel dope.
  5. Ik heb metalen velgen gekocht voor mijn racefiets.
  6. In dat knusse huis woont haar opa.
  7. Het is net een gouden kooi.
  8. Dat is een schitterend verhaal.
  9. Ik krijg er bijna vochtige ogen van.



Slide 9 - Tekstslide


Aan de slag!




Spelling - bijvoeglijk naamwoord
Maak de opdrachten online
Cursus 5 grammatica 
P5 maken opdr 1 t/m 7b. 
Als het niet af is, dan is het huiswerk. 

Klaar? Maak een oefentoets van P1 en P3

                     

Slide 10 - Tekstslide

Afsluiting
Wie weet wat een (stoffelijk) bijvoeglijk naamwoord is?

Slide 11 - Tekstslide