1 Wat zijn de denkvaardigheden van peuters en kleuters?

1 Wat zijn de denkvaardigheden van peuters en kleuters? p. 271-279
1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
Pedagogisch handelenSecundair onderwijs

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

1 Wat zijn de denkvaardigheden van peuters en kleuters? p. 271-279

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

A Wat zijn de wensen en behoeften van mama?
  • Mama vraagt zich af of het een slecht teken is dat Febe in haar spel de situatie met opa naspeelt.
  • Ze vraagt zich af of Febe de 'verloren autootjes' nu wel zal terugvinden.

Slide 3 - Tekstslide

B. Wat zijn de eventuele moeilijkheden?
  • Mama heeft het misschien ook nog heel moeilijk met wat er met opa gebeurd is.
  • Mama heeft misschien angst om Febe te kwetsen.

Slide 4 - Tekstslide

C Hoe zou jij deze situatie aanpakken?
  • Ik zou Febe gewoon laten verder spelen, misschien is dit deel van het rouwproces.

Slide 5 - Tekstslide

D Hoe zou jij het gedrag van Febe verklaren?
  • Febe probeert te verwerken wat er met opa gebeurd is.
  • Ze begreep nog niet dat de auto's er nog waren, ook al ziet ze de auto's niet meer.

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Symbolisch denken = overgang van sensomotorische fase naar de preoperationele fase
  • zich dingen mentaal voorstellen
  • beelden van de werkelijkheid opslaan in zijn hoofd
  • verschillende betekenis geven aan een voorwerp of persoon
  • denken in symbolen
  • opslaan van indrukken

Slide 9 - Tekstslide

Symbolisch denken is belangrijk voor:
  • tekenen
  • fantasiespelen
  • ...

Innerlijke beelden worden op verschillende manieren opgeroepen tijdens het spel.

Slide 10 - Tekstslide

Peuters en kleuters geven een betekenis aan voorwerpen op basis van uiterlijke kenmerken.

Ze kunnen nog niet logisch denken.
  • geen inzicht in wat de gevolgen van hun handelingen kunnen zijn
  • wel verband leggen tussen twee gebeurtenissen

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Waarom gaan peuters en kleuters steeds meer angsten vertonen?

Slide 15 - Open vraag

Waarom gaan peuters en kleuters steeds meer angsten vertonen?
  • Ze komen in een periode waarin ze steeds meer dingen gaan begrijpen.
  • Hiervoor gebruiken ze hun fantasie en creëren ze hun eigen wereldje waarin alles kan.
  • Ze verwarren hun fantasie met de werkelijkheid.
  • Fantasie = waar

Slide 16 - Tekstslide

Geef twee voorbeelden van een eigen gecreëerde wereld.

Slide 17 - Open vraag

Twee voorbeelden van eigen gecreëerde wereld
  • schaduwen in de kamer = enge monsters
  • Stromend water in de douche kan hen meenemen in het enge putje.

Slide 18 - Tekstslide

Op welke manier ga je het beste om met die angsten?

Slide 19 - Open vraag

Hoe ga je het beste om met die angsten?
  • Neem de angsten altijd serieus, zeg niet dat het onzin is en dat het kind niet bang mag zijn.
  • Troost het kind.
  • Probeer te ontdekken waar het kind bang voor is.
  • Praat erover wanneer het kind opnieuw rustig is.

Slide 20 - Tekstslide

Wat betekent de zin: Denk eraan dat jij het goede voorbeeld bent?

Slide 21 - Open vraag

"Denk eraan dat jij het voorbeeld bent"
  • Geef als opvoeder zelf het goede voorbeeld.
  • Het kind kan jouw angsten overnemen wanneer je zelf angsten vertoont.

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Wat is kinderamnesie?
  • Het eerste geheugenspoor gaat gemiddeld terug naar de leeftijd van drie jaar.
  • Herinneringen aan de periode voordien zijn verdwenen.

Slide 25 - Tekstslide

Oorzaak van kinderamnesie
Peuters en kleuters zijn nog niet in staat om herinneringen vast te leggen in taal.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Preoperationele fase - Piaget
Het kind ontwikkelt belangrijke denkvaardigheden:
  • objectpermanentie
  • symbolisch denken

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Tekstslide

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Tekstslide


A
objectpermanentie
B
fantasie
C
symbolisch denken
D
uitgestelde imitatie

Slide 36 - Quizvraag


A
objectpermanentie
B
fantasie
C
symbolisch denken
D
uitgestelde imitatie

Slide 37 - Quizvraag

Donald denkt symbolisch.
Hij beeldt zich in dat zijn beer het glas heeft omgestoten.

Aisha denkt symbolisch.
Ze geeft een andere betekenis aan de wc-brilverkleiner, het is een hoed.

Slide 38 - Tekstslide


A
objectpermanentie
B
symbolisch denken
C
fantasie
D
taal: betekenis geven

Slide 39 - Quizvraag


A
dingen mentaal voorstellen
B
beelden opslaan in het geheugen
C
betekenis geven aan voorwerpen op basis van uiterlijke kenmerken
D
verbanden leggen tussen twee gebeurtenissen

Slide 40 - Quizvraag


A
symbolisch denken
B
geen inzicht in de gevolgen van gedrag
C
niet logisch denken
D
taal

Slide 41 - Quizvraag

Leon geeft betekenis aan de ballonnen aan de hand van de uiterlijke kenmerken (kleur - grootte - mooi of niet).

Soufiane legt het verband tussen zijn verjaardag, taart en kadootjes. Hij weet dat hij op zijn verjaardag taart en kadootjes krijgt.

Bauke heeft geen inzichten in de gevolgen van haar gedrag.

Slide 42 - Tekstslide

Slide 43 - Tekstslide

Slide 44 - Tekstslide


A
taal
B
tekeningen
C
uitgestelde imitatie
D
verbeeldingsspel

Slide 45 - Quizvraag


A
taal
B
tekeningen
C
uitgestelde imitatie
D
verbeeldingsspel

Slide 46 - Quizvraag


A
taal
B
tekeningen
C
uitgestelde imitatie
D
verbeeldingsspel

Slide 47 - Quizvraag


A
taal
B
tekeningen
C
uitgestelde imitatie
D
verbeeldingsspel

Slide 48 - Quizvraag

Slide 49 - Tekstslide