Partir, sentir, sortir, mentir....

Partir, sentir, sortir, mentir, servir, dormir
Doel van de les:
-Deze werkwoorden kunnen vervoegen
-Deze werkwoorden kunnen vertalen!
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 15 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Partir, sentir, sortir, mentir, servir, dormir
Doel van de les:
-Deze werkwoorden kunnen vervoegen
-Deze werkwoorden kunnen vertalen!

Slide 1 - Tekstslide

Betekenis: mentir
A
slapen
B
liegen
C
zetten
D
verdienen

Slide 2 - Quizvraag

Betekenis: sortir
A
uitgaan
B
dienen
C
weten
D
moeten

Slide 3 - Quizvraag

Betekenis: partir
A
pakken
B
zeggen
C
vertrekken
D
aankomen

Slide 4 - Quizvraag

Betekenis: servir
A
weten
B
slapen
C
eten
D
(be)dienen

Slide 5 - Quizvraag

Betkenis: dormir
A
geven
B
bewaren
C
slapen
D
eten

Slide 6 - Quizvraag

Betekenis: sentir
A
weten
B
weggaan, uitgaan
C
vervelen
D
voelen, ruiken

Slide 7 - Quizvraag

Présent, tu, sortir =
A
tu sort
B
tu sors
C
tu sortis
D
tu sortes

Slide 8 - Quizvraag

Présent: nous, mentir
A
Nous mentirons
B
Nous mentons
C
Nous mentions
D
Nous mentirez

Slide 9 - Quizvraag

Imparfait: elles, dormir
A
elles dormiez
B
elles dormiraient
C
elles dormaient
D
elle dorment

Slide 10 - Quizvraag

Passé composé: vous, servir
A
vous êtes servi
B
vous avez servé
C
Vous avez servés
D
Vous avez servi

Slide 11 - Quizvraag

Futur simple: partir, vous
A
Vous partez
B
Vous partirez
C
Vous partiez
D
Vous partiriez

Slide 12 - Quizvraag

Conditionnel: elle, sentir
A
elle sentira
B
elle sentait
C
elle sentirait
D
elle a senti

Slide 13 - Quizvraag

Betekenis: elle a servi
A
Zij heeft bediend
B
Zij is uitgegaan
C
Zij voelde
D
Zij loog

Slide 14 - Quizvraag

Betekenis: elle mentirait
A
zij loog
B
zij heeft gelogen
C
zij zal liegen
D
zij zou liegen

Slide 15 - Quizvraag