Werken met NT2 Woordenboek
Werken met NT2 Woordenboek
NT2 Woordenboek
Bij Jij-toetsen en examens mag je een woordenboek gebruiken.
Alleen NT2 woordenboeken zijn toegestaan. Deze zijn Nederlands - Nederlands.
Een woordenboek gebruiken is alleen handig, als je ze snel kan gebruiken. Vind jij het na deze les nog steeds moeilijk om snel woorden op te zoeken? Gebruik dan GEEN woordenboek op het examen
Les 1: Het goed en snel gebruiken van het woordenboek
Waarom is het belangrijk dat je het woordenboek goed kunt gebruiken?
Het is belangrijk dat je het alfabet goed kent. Schrijf het alfabet op. Probeer het helemaal alleen te doen
De woorden staan op alfabetische volgorde.
Deze volgorde helpt je de letter snel te vinden in het woordenboek.
Op de zijkant van het woordenboek staan de letters in de alfabetische volgorde.
Probeer maar eens hoe snel je het woordenboek bij de letters ‘L’ en ‘R’
kunt openslaan.
Luister naar de docent. Probeer zo snel mogelijk de letter in
je woordenboek op te zoeken
Hoe ging dit?
In het woordenboek staan alle woorden op alfabetische volgorde.
Je kijkt altijd eerst naar de eerste letter.
Zet de woorden in alfabetische volgorde: zomer | lopen | achter | kind | bomen jij | klappen | iedereen | computer | rok
Dit was les 1. Hoe ging het?
Les 2 Het opzoeken van de goede woordenboekvorm
Niet alle woorden staan apart in het woordenboek.
Er zijn verschillende vormen.
Woorden die bij elkaar horen staan bij één woordenboekvorm.
Die woordenboekvorm is eigenlijk de meest simpele vorm.
Je moet dus goed weten bij welke woordenboekvorm je moet zoeken.
huis - huizen: Het meervoud staat bij de woordenboekvorm huis.
hond - hondje: De verkleinvorm staat bij de woordenboekvorm hond.
warm - warmer - warmst: De vorm met -er of -st staat bij de woordenboekvorm warm.
aardig - onaardig: Laat het stukje on weg en kijk bij de woordenboekvorm
aardig
Bij welke woordenboekvorm
horen deze woorden?
duidelijk
fijn
boom
café
interessant
fijner
cafés
oninteressant
bomen
onduidelijk
Zij is nog "liever" dan jouw oma. Opzoeken bij:
Het bezoek was heel "ongezellig". Opzoeken bij:
De jongen liep het "verst" van iedereen. Opzoeken bij:
Jij wilt dat "ongezellige" meisje niet zien. Opzoeken bij:
Werkwoordvormen
In het woordenboek staan veel werkwoorden.
Werkwoorden zijn heel belangrijk, omdat je ze in elke zin moet gebruiken.
In het Nederlands kan de vorm van het werkwoord veranderen.
De vorm is de manier waarop het werkwoord gebruikt wordt.
Ik kook - hij kookt - wij koken
Ik kookte - hij kookte - wij kookten
Ik heb gekookt - hij heeft gekookt - wij hebben
gekookt
koken is de woordenboekvorm
Ik speel - hij speelt - wij spelen
Ik speelde - hij speelde - wij speelden
Ik heb gespeeld - hij heeft gespeeld - wij
hebben gespeeld
spelen is de woordenboekvorm
Het opzoeken van werkwoorden.
Deze vormen staan natuurlijk niet allemaal in het woordenboek.
De woordenboekvorm is altijd het hele werkwoord, dus: koken en spelen
Bij welke woordenboekvorm
horen deze woorden?
doen
rijden
willen
rennen
drinken
rijdt
rende
drinkt
gewild
gedaan
Wat is de woordenboekvorm?
Gelopen
Wat is de woordenboekvorm?
gebroken
Wat is de woordenboekvorm? speelden
Dit was les 2. Hoe ging het?
Les 3 Verschillende betekenissen
Er zijn veel woorden die twee of meer betekenissen hebben.
Het woord staat maar één keer in het woordenboek.
De verschillende betekenissen staan allemaal onder hetzelfde woord.
Er staan nummers bij elke betekenis.
Ik ga een rekening openen bij de bank. Betekenis:
Ik zit heerlijk op onze nieuwe bank. Betekenis:
Gebruik voor de volgende oefeningen het woordenboek.
Hoeveel betekenissen heeft het woord "spel"? Schrijf het aantal op.
Hoe vind je de goede betekenis?
- Lees rustig alle betekenissen door.
- Kijk dan heel goed naar de rest van de zin.
- Zoek welke van de betekenissen het best past bij de rest van de zin.
- Kijk ook naar de voorbeeldzinnen in het woordenboek.
- Controleer of je de betekenis van de zin nu goed begrijpt.
Er zijn ook woorden met meer betekenissen die wel meer dan één keer in het woordenboek staan.
Elke betekenis wordt apart bij het woord gezet.
Er staan dan kleine nummertjes achter elk woord.
De betekenis is anders, maar het is ook een ander soort woord.
Hoe vaak staat het woord "bot" in het woordenboek? Schrijf het aantal op.
Hoe vaak staat het woord "net" in het woordenboek? Schrijf het aantal op.
Hoe vind je de goede betekenis van dezelfde woorden?
- Kijk eerst hoeveel van dezelfde woorden er staan.
- Lees rustig alle betekenissen door.
- Kijk dan heel goed naar de rest van de zin.
- Zoek welke van de betekenissen het best past bij de rest van de zin.
- Kijk ook naar de voorbeeldzinnen in het woordenboek.
- Controleer of je de betekenis van de zin nu goed begrijpt.
Gebruik voor de volgende oefeningen het woordenboek.
De relatie met zijn schoonmoeder is erg "complex". Wat betekent "complex" hier?
Goed gedaan. Dit was de laatste les. Hoe ging het?
Wel of geen woordenboek....
Een woordenboek gebruiken tijdens het examen kan handig zijn, maar alleen als je snel woorden kan opzoeken.
Dus denk na; vond jij deze oefeningen moeilijk? Dan kan je je beter op andere dingen richten en geen woordenboek gebruiken.
Wel of geen woordenboek....
Vond jij deze oefeningen makkelijk? Dan zou je een woordenboek kunnen gebruiken. Het is wel belangrijk dat je daar nu al mee gaat oefenen.
Je mag voor het examen alleen het Van Dale Pocketwoordenboek Nederlands als tweede taal gebruiken
Als laatste, wat vond je van deze les?