In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.
Lesduur is: 90 min
Dit is niet oké
Onderdelen in deze les
Hoy es el 31 de mayo de 2021
Slide 1 - Tekstslide
Mirar los deberes
Unidad 6:
Herhalen:ser-estar-hay
/ plaatsbepaling
TB.p. 55-56
Oef. 3c: beschrijf in het kort je stad.
oef.4b. : stel één vraag voor elke dag van de week.
WB.p.56 t/m 58
Oef.5, 6, 8, 10, 11 a/b, 12, 15.: vragen?
¿Qué vamos a hacer hoy?
Slide 2 - Tekstslide
De vertaling van het ww "zijn"
1. ser gebruik je bij:
-persoonsgegevens
-nationaliteit en afkomst
-beroep
-religie
-definitie
- kenmerkende eigenschap
-prijs
-tijd
-plaatsvinden
voorbeelden
Hoy <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es</span> lunes, <span style="font-weight:bold;color:rgb(236, 72, 77)">son</span> las dos de la tarde Juan <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es</span> un chico, <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es</span> holandés, <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es </span>de Chile, <span style="font-weight:bold;color:rgb(236, 72, 77)">es </span>moreno, <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es </span>profesor.Su reunión <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es</span> en la escuela, la escuela <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">es</span> del estado chileno. Los costos para los estudiantes <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">son</span>......euros
Slide 3 - Tekstslide
Hay (uit het werkwoord HABER)
HAY (er is, er zijn) +
onbepaald lidwoord Hay un concierto en el teatro.
getallen Hay tres niños en la plaza.
onbepaald hoeveelheden En Sevilla hay muchos turistas.
geen lidwoord Hay visitas guiadas en la catedral.
Slide 4 - Tekstslide
2. De vertaling van het ww "zijn" met estar
estar
estoy
estás está
estamos
estáis
están
Gebruik van estar :
zijn, staan, hangen, liggen etc. : alles wat je kunt vervangen door zich bevinden!!
om een tijdelijke toestand aan te geven en burgerlijke staat
waardering van gerechten tijdens het eten
Juan está en el tren
estoy cansado/a ; estoy casado/a
los calamares están muy ricos
Slide 5 - Tekstslide
Verschil tussen hay en estar
ESTAR (zijn, zich bevinden) +
bepaald lidwoord
eigennamen
bezittelijk vnmw.
HAY (er is, er zijn) +
onbepaald lidwoord
getallen
onbepaald hoeveelheden
geen lidwoord
Slide 6 - Tekstslide
Verschil tussen hay en estar
ESTAR (zijn, zich bevinden) +
bepaald lidwoord ¿Dónde está la farmacia?
eigennamen María está en el camping.
bezittelijk vnmw. Mis amigos están en Salou.
HAY (er is, er zijn) +
onbepaald lidwoord Hay un concierto en el teatro.
getallen Hay tres niños en la plaza.
onbepaald hoeveelheden En Sevilla hay muchos turistas.
Tussen<span style="font-weight:bold"> een plaatsbepaling</span> en <span style="font-weight:bold">het zelfstandig naamwoord</span> komt altijd <span style="color:rgb(236, 72, 77);font-weight:bold">"de"</span> <span style="text-decoration-line:underline">behalve bij entre, en, sobre </span>: <div>Está al lado de la mesa. </div><div>maar: </div><div>Está entre la mesa y la silla.</div>
Slide 9 - Tekstslide
¿Dónde está mi perro?
bovenop: encima ( de)
onder : debajo ( de)
Slide 10 - Tekstslide
TB.p. 55-56
Oef. 3c: beschrijf in het kort je stad.
oef.4b. : stel één vraag voor elke dag van de week.
Slide 11 - Tekstslide
TB : p. 56 oef.6a
¿Verdadero o Falso?
Falso: 1,3,4<div>Correcto: 2,5</div>
Slide 12 - Tekstslide
Geef aan waar deze gebouwen zich bevinden.
(Soms zijn er meer mogelijkheden)
1.¿Dónde está la
oficina de Correos?.
-Está ...........el banco.
2. ¿Dónde está el museo?
-Está .......... la iglesia.
3. ¿ Dónde está el parque?
-Está …….el museo y el mercado al aire libre.
4.¿Dónde está el cine?
- Está …….de la tienda.
5. ¿ Dónde está el restaurante ?
-Está …….del centro comercial.
6. ¿ Dónde está la piscina?
-Está …….del café.
7. ¿ Dónde está el supermercado?
-Está ……. el banco y el café.
8. ¿ Dónde está la tienda?
-Está …….del restaurante.
9.¿ Dónde está la plaza?
-Está.......(cerca of lejos) del supermercado.
10. ¿ Dónde está el centro comercial?. Está..... (cerca oflejos) de la oficina de Correos.
Slide 13 - Tekstslide
WB.p.56 t/m 58
Unidad 6
Oef.5, 6, 8, 10, 11 a/b, 12, 15.: Vragen?
Slide 14 - Tekstslide
Unidad 6
naar de weg vragen
inlichtingen geven
gebruik maken van openbaar vervoer
Slide 15 - Tekstslide
Ejercicio 7a
Un viaje a Bogotá
TB. p.57, oef.7a
Vamos a Bogotá
Slide 16 - Tekstslide
Het werkwoord ir= gaan
ir
voy
vas
va
vamos
vais
van
a
de
en
ir a= gaan naar : voy a Cali
ir a + infinitivo: nabije toekomst:
mañana voy a visitar el museo
ir de : in uitdrukkingen: ir de compras
ir de vacaciones, ir de excursión, ir de copas, ir de tapas