Aan het einde van de les weet ik wat aanwijzende voornaamwoorden zijn en kan ik ze gebruiken.
A1: Ik kan heel soms aanwijzende voornaamwoorden gebruiken.
A2: Het lukt me vaker om aanwijzende voornaamwoorden te gebruiken.
B1: Het lukt me al heel vaak om aanwijzende voornaamwoorden te gebruiken.