Klas 2: Het persoonlijk, vragend voornaamwoord en voorzetsels in de 3e naamval

Klas 2: Het persoonlijk, vragend voornaamwoord en voorzetsels in de 3e naamval
1 / 45
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 2

In deze les zitten 45 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Klas 2: Het persoonlijk, vragend voornaamwoord en voorzetsels in de 3e naamval

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ik in het Duits =

Slide 2 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

jij in het Duits =

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

u in het Duits =

Slide 4 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

wie in het Duits =

Slide 5 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

ich in de 4e naamval =

Slide 6 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

du in de 4e naamval =

Slide 7 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

jullie in de 4e naamval =

Slide 8 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk en vragend voornaamwoord: 1e naamval
ik                                ich
jij                                du
hij/zij/het/men    er/sie/es/man
wij                              wir
jullie                          ihr
zij/ u                          sie/ Sie
wie/wat                    wer/ was

Slide 9 - Tekstslide

dit noemen we de 1e naamval
Persoonlijk en vragend voornaamwoord in de 4e naamval
mij                             mich
jou                             dich
hem/haar/het/     ihn/ sie/ es
ons                            uns
jullie                          euch
hen/ u                       sie/ Sie
wie/wat                    wen/ was

Slide 10 - Tekstslide

dit noemen we de 4e naamval
Doel van vandaag:
Het kennen van de persoonlijke en vragende voornaamwoorden in de 3e naamval (Dativ) verandert.

Ik ben Lena.
Met mij kun je goed shoppen.

Slide 11 - Tekstslide

Je hoort mij al zeggen ,,voor mij". Net zoals in het NL verandert ik in mij bij het vz voor. Dit gebeurt bij een aantal andere vz ook. 
Persoonlijk en vragend voornaamwoord in de 3e naamval
mij                             mir
jou                             dir
hem/haar/hem/    ihm/ ihr/ ihm
ons                            uns
jullie                          euch
hen/ u                       ihnen/ Ihnen
wie/wat                    wem/ was

Slide 12 - Tekstslide

dit noemen we de 4e naamval
Kann ich mit ... (u) mitkommen?

Slide 13 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Mit ... (wie) hast du gestern beim Bäcker gesprochen?

Slide 14 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik begrijp de uitleg en het lukt mij om met de aantekeningen zelfstandig aan de opdrachten te gaan werken. Soms moet ik misschien wel nog vragen stellen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 15 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

Aufgabe:
Was? Aufgabe 18 + 19 Absatz E Grammatik
Wie? Im Buch + leise
Fertig? Lerne die Wörter von den Hausaufgaben

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat weet je nog van de vorige les?

Slide 17 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Noem persoonlijke en vragende voornaamwoorden in de 3e naamval:

Slide 18 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Doel van vandaag:
Het kennen van de voorzetsels waardoor het persoonlijk en vragend voornaamwoord in de 3e naamval (Dativ) verandert.

Ik ben Lena.
Met mij kun je goed shoppen.

Slide 19 - Tekstslide

Je hoort mij al zeggen ,,voor mij". Net zoals in het NL verandert ik in mij bij het vz voor. Dit gebeurt bij een aantal andere vz ook. 
Na deze voorzetsels volgt de 3e naamval
zu = naar (bij personen)                                                   seit = sinds
von = van                                                                                entgegen = tegemoet
außer = behalve
nach = naar, na
gegenüber = tegenover
bei = bij
aus = uit
mit = met
Let op: Het zijn er meer dan in het boek!

Tip: Zvangbamse

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mit... (mij) sind wir zu dritt in dem Team.

Slide 21 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Außer ... (hem) mögen wir alle Pizza.

Slide 22 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Ik begrijp de uitleg en het lukt mij om met de aantekeningen zelfstandig aan de opdrachten te gaan werken. Soms moet ik misschien wel nog vragen stellen.
😒🙁😐🙂😃

Slide 23 - Poll

Deze slide heeft geen instructies

ik in de 4e naamval =

Slide 24 - Woordweb

Teruggrijpen op vorige les. Wat is blijven hangen?
jullie in de 4e naamval =

Slide 25 - Woordweb

Teruggrijpen op vorige les. Wat is blijven hangen?
u in de 4e naamval =

Slide 26 - Woordweb

Teruggrijpen op vorige les. Wat is blijven hangen?
Noteer 2 voorzetsels die de 4e naamval krijgen:

Slide 27 - Woordweb

Teruggrijpen op vorige les. Wat is blijven hangen? Aantekening laten doorlezen, ev. filmpjes bekijken. Dan met wisbordjes opdr. 24 en dan zelfstandige verwerking
Klas 2: Het persoonlijk, vragend voornaamwoord en voorzetsels in de 3e naamval

Slide 28 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is ,,ik" in het Duits?

Slide 29 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is ,,jij" in het Duits?

Slide 30 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is ,,wie" in het Duits?

Slide 31 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is ,,wie" in het Duits?

Slide 32 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk en vragend voornaamwoord: 1e naamval
ik                                ich
jij                                du
hij/zij/het/men    er/sie/es/man
wij                              wir
jullie                          ihr
zij/ u                          sie/ Sie
wie/wat                    wer/ was

Slide 33 - Tekstslide

dit noemen we de 1e naamval
Wat is de betekenis van ,,für ihn"?

Slide 34 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de betekenis van ,,für Sie"?

Slide 35 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de betekenis van ,,für uns"?

Slide 36 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk en vragend voornaamwoord in de 4e naamval
mij                             mich
jou                             dich
hem/haar/het/     ihn/ sie/ es
ons                            uns
jullie                          euch
hen/ u                       sie/ Sie
wie/wat                    wen/ was

Slide 37 - Tekstslide

dit noemen we de 4e naamval
Doel 1
Je kunt de persoonlijke en vragende voornaamwoorden in de 3e naamval (Dativ) gebruiken.

Slide 38 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Persoonlijk en vragend voornaamwoord in de 3e naamval
ik >                           mir
jij >                            dir
hij/ zij/ het >          ihm/ ihr/ ihm
wij >                          uns
jullie >                      euch
zij/ u >                      ihnen/ Ihnen
wie >                         wem
Voorbeeld:
met mij > mit mir

Slide 39 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Ich in de derde naamval is?
A
mir
B
mich
C
ich
D
mier

Slide 40 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Ihnen betekent?
A
u
B
jouw
C
hun
D
hen

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

uns betekent?
A
ons
B
jouw
C
hun
D
wij

Slide 42 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Du in de derde naamval is?
A
dich
B
dir
C
du
D
euch

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Doel 2
Je kent de voorzetsels waardoor het persoonlijk en vragend voornaamwoord in de 3e naamval (Dativ) verandert.

Slide 44 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Na deze voorzetsels volgt de 3e naamval: 
aus = uit
bei = bij
mit = met
nach = na, naar
seit = sinds
von = van, door
zu  = naar (bij personen)
entgegen = tegemoet, daartegen
gegenüber = tegenover
Voorbeeld:
naar jou > zu dir

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies