1.2 Elektriciteit in huis

H 1.2 Elektriciteit in huis
1 / 37
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavoLeerjaar 3

In deze les zitten 37 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

H 1.2 Elektriciteit in huis

Slide 1 - Tekstslide

Programma van de les
  • 1.1 Herhalen/ nakijken

  • uitleg paragraaf 1.2

  • zelfstandig aan de slag

Slide 2 - Tekstslide

1.1 Herhalen en nakijken
Deze lampjes zijn allemaal 
gelijk. Welke brandt het felst?

lampje 1 heeft 0,6 A. wat is de
totale stroom?

Slide 3 - Tekstslide

Leerdoelen
  • Je kunt de onderdelen van een huisinstallatie benoemen vanaf de hoofdleiding in de meterkast.
  • Je kunt beschrijven waar de verschillend gekleurde draden in een huisinstallatie voor dienen.
  • Je kunt de oorzaak en de gevolgen beschrijven van kortsluiting en van overbelasting.
  • Je kunt het verschil uitleggen tussen gelijkspanning (DC) en wisselspanning (AC).

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Video

Huisinstallatie
  • Door elk woonhuis loopt een netwerk van elektriciteitsdraden: de huisinstallatie.

  • In de meeste huizen heb je vier tot zes groepen waarin de hoofdleiding zich splitst na de kilowattuurmeter.

Slide 6 - Tekstslide

2.2 Elekticiteit in huis

Slide 7 - Tekstslide

Oud
Nieuw

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Huisinstallatie
  • Netwerk van elektriciteitsdraden 
       in huis.
  • Splitst in parallelle groepen
  • Elke groep heeft eigen groepschakelaar.
  • Je kan een groep spanningloos maken om veilig reparatie uit te voeren.

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Slide 15 - Tekstslide

A
B
C
D
Aardedraad
Nuldraad
Fasedraad
Schakeldraad

Slide 16 - Sleepvraag

Kortsluiting

Slide 17 - Tekstslide

Weerstand
Weerstand geeft aan hoe goed stroom wordt tegen gehouden
Elk apparaat heeft weerstand
  • meer weerstand → minder stroom
  • minder weerstand → meer stroom

Slide 18 - Tekstslide

Kortsluiting
Als er geen weerstand meer is in een schakeling, is er een kortsluiting.
Komen vonken van een draad af.
Leuk om te maken, maar levensgevaarlijk.

Slide 19 - Tekstslide

Kortsluiting
1
2

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Video

Overbelasting

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Wisselspanning en gelijkspanning
Gelijkspanning: Een batterij heeft een 
+ en - symbool en levert gelijkspanning.


Wisselspanning: Stopcontact wisselt 
+ en - razendsnel.

Slide 24 - Tekstslide

Een huisinstallatie is te vergelijken met
A
Serie-schakeling
B
Gemengde schakeling
C
Parallel schakeling

Slide 25 - Quizvraag

Parallelschakelingen voor stopcontacten:
Onafhankelijkheid: Stopcontacten worden parallel geschakeld, wat betekent dat elk stopcontact op een aparte tak van het netwerk is aangesloten.
Voordeel: Als één apparaat wordt uitgeschakeld of defect raakt, blijven de andere apparaten gewoon werken, omdat ze hun eigen directe stroomverbinding hebben.
Voldoen aan de spanning: Alle apparaten kunnen met de benodigde spanning (bv. 220V of 240V) functioneren.

Slide 26 - Tekstslide

Serieschakelingen voor verlichting en bediening:
Onafhankelijke bediening: Binnen de parallelle circuit van een lampengroep worden de lampen vaak in serie met elkaar geschakeld (bv. een lamp met een schakelaar).
Voordeel: Dit maakt het mogelijk om lampen individueel aan of uit te zetten met een schakelaar, wat in een pure parallelschakeling niet mogelijk zou zijn. 

Slide 27 - Tekstslide

Welke kleur heeft een schakeldraad
A
Bruin
B
Zwart
C
Blauw
D
Groengeel

Slide 28 - Quizvraag

Welke kleur heeft een fasedraad
A
Bruin
B
Zwart
C
Blauw
D
Groengeel

Slide 29 - Quizvraag

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Paragraaf 2
Bladzijde 21 t/m 31
Blz 24-31: opgave 1 t/m 12

Slide 32 - Tekstslide

Slide 33 - Video

Overbelasting
Kortsluiting

Slide 34 - Sleepvraag

Waarom is er in huis gebruik gemaakt van een parallelschakeling

Slide 35 - Open vraag

Waarom zijn er in huis meerdere groepen?

Slide 36 - Open vraag

Wanneer spreken we van kortsluiting?

Slide 37 - Open vraag