Hoofdstuk 15-In de trein

1 / 46
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsBeroepsopleiding

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

trein

In de trein

  • vertellen over een reis

  • beschrijven wat je ziet

  • demonstratief pronomen - zelfstandig

  • uitspraak: ng - ing -nk




logeren

de molen

het natuurgebied

veilig

gewend

het grapje

Opdracht 1

Opdracht 1.

  1. Amira is een nicht van Tjeerd. 

  2. Amira komt in Nederland wonen.

  3. Amira brengt koffie mee uit Colombia.

  4. Tjeerd moet de koffers van Amira dragen.

  5. Amira vind het Nederlandse landschap ongeveer hetzelfde als het landschap in Colombia.

  6. Amira en Tjeerd eten een broodje in de trein. 

  7. Tjeerd gaat slapen in de trein. 

15.3 Beschrijven wat je ziet.

Kijk eens, oom Tjeerd, daar lopen heel kleine pony's in de wei

Moet je eens zien wat een mooie lucht.

Kijk eens, .......

Moet je eens zien ..........


Opdracht 3

Kijk eens..... Moet je eens zien.....

Luisterfragment

Vraag vooraf:

Welke melkproducten ken je?

Welke melkproducten hoor je in het liedje?

Welke informatie krijg je over koeien?

15.4 Demonstratief pronomen            -





 de- woorden
Wat vind je van de wijn? Die vind ik niet lekker.


pluralis


personen
Waar is de docent? Die is in het lokaal.

zelfstandig





het-woorden
We zien het Naardermeer. Dat is een

prachtig natuurgebied.


hele zin
Je hebt toch wel koffie meegenomen? Ja dat heb ik gedaan.

die

dat

Opdracht 4

15.5 Dit is / zijn, dat is / zijn


dit is | zijn

dat is | zijn

Dit is mijn auto.

Dat  zijn mijn ouders.

Kies het juiste antwood.

quizvragen

Ik wil jullie voorstellen aan mijn vriend. ..... Samir.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Ken je dat meisje daar? ..... een vriendin van mijn ouders.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Ik wil graag dit bed kopen. ..... het beste bed in de winkel.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

..... de kaartjes voor het concert en die andere kaartjes zijn voor de trein.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Ik kom uit Beek. ..... een dorp dichtbij Nijmegen.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Kent u Karlijn en Laila? ..... de dames die bij de balie werken.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

..... een fijne winkel. Ik koop hier al mijn kleren.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Kijk, ziet u daar dat huis met die blauwe deur? ..... mijn huis.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Alsjeblieft. ..... een cadeau voor jou.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Boven zijn nog twee kamers. ..... slaapkamers.

A

dit is

B

dat is

C

dit zijn

D

dat zijn

Opdracht: die en dat

                                                Bekijk de dialoog van hoofdstuk 15.​
                                               1.   Omcirkel die en dat in de dialoog van bladzijde 209.​
                                              2. Waar verwijst die of dat naar in de tekst?​

Voorbeeld:

Waar is tante Lena? Die moest helaas werken.


Die verwijst naar tante Lena

Opdracht 5

Presenteer iets, iemand of meer personen

Gebruik : Dit is ......

                    Dit zijn .......

Schrijf ook een tweede zin, met meer informatie.


Voorbeeld:

Mijn katten. 

Dit zijn mijn katten. Ze zijn nog klein.

Opdracht 6

Bedenk een reactie op de vragen. Begin met dat of die.



Opdracht 7


Bedenk een vraag bij de reactie.


Voorbeeld:

Die woont bij Anna in huis. 

Waar woont Ernst?

Klaar? Maak opdracht 8

Verkeersborden

Pak je telefoon en log in.

Wat hoort niet bij verkeer?

A

Snelweg

B

Stoplicht

C

Zebrapad

D

School

Welk woord hoort bij verkeersborden?

A

Regels

B

Stoplicht

C

Zebrapad

D

School

Wat hoort bij dit verkeersbord?

A

Je mag niet ...

B

Je moet ...

C

Zebrapad

D

Let op!

Je moet hier fietsen

A

waar

B

niet waar

Je mag hier niet fietsen.

A

waar

B

niet waar

Je moet hier met de trein.

A

waar

B

niet waar

Je mag hier niet lopen.

A

waar

B

niet waar

Let op! Je komt bij een zebrapad.

A

waar

B

niet waar

Je moet hier met de auto rijden.

A

waar

B

niet waar

Let op! Hier zijn vliegtuigen.

A

waar

B

niet waar

Je mag geen eten geven.

A

waar

B

niet waar

Opdracht 9


Werk in tweetallen. Praat met elkaar over de verschillende borden. Wat betekenen ze?


Voorbeeld:



Je mag hier 50 kilometer per uur rijden.

woordslang

Wat is dat?


woordslang

Maak met een medecursist een woordenslang.

Het thema: in de trein



Wie is als eerste bij de staart?

uitspraak ng - ing - nk


Luister naar de woorden.

Wat hoor je?

ng - ing, of -nk?