trein
In de trein
vertellen over een reis
beschrijven wat je ziet
demonstratief pronomen - zelfstandig
uitspraak: ng - ing -nk
logeren
de molen
het natuurgebied
veilig
gewend
het grapje
Opdracht 1
Opdracht 1.
Amira is een nicht van Tjeerd.
Amira komt in Nederland wonen.
Amira brengt koffie mee uit Colombia.
Tjeerd moet de koffers van Amira dragen.
Amira vind het Nederlandse landschap ongeveer hetzelfde als het landschap in Colombia.
Amira en Tjeerd eten een broodje in de trein.
Tjeerd gaat slapen in de trein.
15.3 Beschrijven wat je ziet.
Kijk eens, oom Tjeerd, daar lopen heel kleine pony's in de wei
Moet je eens zien wat een mooie lucht.
Kijk eens, .......
Moet je eens zien ..........
Opdracht 3
Kijk eens..... Moet je eens zien.....
Luisterfragment
Vraag vooraf:
Welke melkproducten ken je?
Welke melkproducten hoor je in het liedje?
Welke informatie krijg je over koeien?
15.4 Demonstratief pronomen -
de- woorden
Wat vind je van de wijn? Die vind ik niet lekker.
pluralis
personen
Waar is de docent? Die is in het lokaal.
zelfstandig
het-woorden
We zien het Naardermeer. Dat is een
prachtig natuurgebied.
hele zin
Je hebt toch wel koffie meegenomen? Ja dat heb ik gedaan.
die
dat
Opdracht 4
15.5 Dit is / zijn, dat is / zijn
dit is | zijn
dat is | zijn
Dit is mijn auto.
Dat zijn mijn ouders.
Kies het juiste antwood.
quizvragen
Ik wil jullie voorstellen aan mijn vriend. ..... Samir.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Ken je dat meisje daar? ..... een vriendin van mijn ouders.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Ik wil graag dit bed kopen. ..... het beste bed in de winkel.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
..... de kaartjes voor het concert en die andere kaartjes zijn voor de trein.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Ik kom uit Beek. ..... een dorp dichtbij Nijmegen.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Kent u Karlijn en Laila? ..... de dames die bij de balie werken.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
..... een fijne winkel. Ik koop hier al mijn kleren.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Kijk, ziet u daar dat huis met die blauwe deur? ..... mijn huis.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Alsjeblieft. ..... een cadeau voor jou.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Boven zijn nog twee kamers. ..... slaapkamers.
dit is
dat is
dit zijn
dat zijn
Opdracht: die en dat
Bekijk de dialoog van hoofdstuk 15.
1. Omcirkel die en dat in de dialoog van bladzijde 209.
2. Waar verwijst die of dat naar in de tekst?
Voorbeeld:
Waar is tante Lena? Die moest helaas werken.
Die verwijst naar tante Lena
Opdracht 5
Presenteer iets, iemand of meer personen
Gebruik : Dit is ......
Dit zijn .......
Schrijf ook een tweede zin, met meer informatie.
Voorbeeld:
Mijn katten.
Dit zijn mijn katten. Ze zijn nog klein.
Opdracht 6
Bedenk een reactie op de vragen. Begin met dat of die.
Opdracht 7
Bedenk een vraag bij de reactie.
Voorbeeld:
Die woont bij Anna in huis.
Waar woont Ernst?
Klaar? Maak opdracht 8
Verkeersborden
Pak je telefoon en log in.
Wat hoort niet bij verkeer?
Snelweg
Stoplicht
Zebrapad
School
Welk woord hoort bij verkeersborden?
Regels
Stoplicht
Zebrapad
School
Wat hoort bij dit verkeersbord?
Je mag niet ...
Je moet ...
Zebrapad
Let op!
Je moet hier fietsen
waar
niet waar
Je mag hier niet fietsen.
waar
niet waar
Je moet hier met de trein.
waar
niet waar
Je mag hier niet lopen.
waar
niet waar
Let op! Je komt bij een zebrapad.
waar
niet waar
Je moet hier met de auto rijden.
waar
niet waar
Let op! Hier zijn vliegtuigen.
waar
niet waar
Je mag geen eten geven.
waar
niet waar
Opdracht 9
Werk in tweetallen. Praat met elkaar over de verschillende borden. Wat betekenen ze?
Voorbeeld:
Je mag hier 50 kilometer per uur rijden.
woordslang
Wat is dat?
woordslang
Maak met een medecursist een woordenslang.
Het thema: in de trein
Wie is als eerste bij de staart?
uitspraak ng - ing - nk
Luister naar de woorden.
Wat hoor je?
ng - ing, of -nk?