Spelling

Spelling blok 9
1 / 21
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpellingBasisschoolGroep 6

In deze les zitten 21 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

Spelling blok 9

Slide 1 - Tekstslide

Typ het woord

Slide 2 - Woordweb

Wat is de persoonsvorm in de zin?
Waarom eet jij elke dag fruit?

Slide 3 - Woordweb

Typ het woord

Slide 4 - Woordweb

Wat is het onderwerp in de zin?
Morgen gaat Emma op vakantie.

Slide 5 - Woordweb

Typ het woord

Slide 6 - Woordweb

Wat is het voegwoord in de zin?
Hij is gevallen, omdat hij van de muur sprong.

Slide 7 - Woordweb

Typ het woord

Slide 8 - Woordweb

Wat is het voorzetsel in de zin?
Joris vaart elke dag op de boot.

Slide 9 - Woordweb

Typ het woord

Slide 10 - Woordweb

Wat is het bijvoegelijk naamwoordin de zin?
Ik brand mijn voeten aan het hete zand.

Slide 11 - Woordweb

Typ het woord

Slide 12 - Woordweb

Wat is de persoonsvorm in de zin?
Mijn opa en oma reizen met de trein.

Slide 13 - Woordweb

Typ het woord

Slide 14 - Woordweb

Wat is de onderwerp in de zin?
In de ochtend gaat Max naar het zwembad.

Slide 15 - Woordweb

Typ het woord

Slide 16 - Woordweb

Wat is het lidwoord in de zin?
In de vakantie ga ik elke dag fietsen.

Slide 17 - Woordweb

Typ het woord

Slide 18 - Woordweb

Wat is het voegwoord in de zin?
Ik wil wel elke dag ijs eten, maar dat is niet gezond.

Slide 19 - Woordweb

Typ het woord

Slide 20 - Woordweb

Wat is het voorzetsel in de zin?
De trein rijdt hard over het spoor.

Slide 21 - Woordweb