Duits: lidwoorden zelfstandige variant

Hallo ihr Lieben
1 / 29
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 29 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Hallo ihr Lieben

Slide 1 - Tekstslide

Programma:
In deze les word je geïnformeerd over de Duitse lidwoorden.

Slide 2 - Tekstslide

Waarom moeten we het daarover hebben?!

Die Duitse lidwoorden zorgen bij veel mensen voor talige buikkramp en grammatica-grommen.
En hoewel dat begrijpelijk is, is dit onderdeel wel heel kenmerkend voor de Duitse taal: 

Slide 3 - Tekstslide


- Het vormt de basis van waaruit je later (heel misschien, eventueel) gemakkelijker de techniek achter de bijvoeglijke naamwoorden en de naamvallen kunt begrijpen en toepassen,
- Het neemt een stukje twijfel weg wanneer je de taal zelf gaat produceren. Eerst spreek en schrijf je op gevoel, maar later zul je hetgeen je produceert technisch kunnen onderbouwen, omdat je er kennis over verzameld hebt.

Slide 4 - Tekstslide

Doel:
Aan het eind van deze les:
- Weet je welke Duitse lidwoorden er zijn,
- Weet je wanneer je welk lidwoord moet gebruiken,
- Ken je een aantal voorbeelden van mannelijke, vrouwelijke en onzijdige woorden,
- Kun je deze voorbeelden in een zin verwerken.

Slide 5 - Tekstslide

Allereerst:
Wat weet je al van de Duitse lidwoorden?
Welke zijn er, wanneer gebruik je welke en heb je wellicht al voorbeelden?
Noteer je weetjes omtrent de Duitse lidwoorden in de volgende slide.

Slide 6 - Tekstslide

Duitse lidwoorden:
wat weet je al?

Slide 7 - Woordweb

Instructie:
Je gaat zodadelijk een YouTube filmpje bekijken.
Dit is een korte instructie over de Duitse lidwoorden.
Bekijk het filmpje en maak aantekeningen.

Slide 8 - Tekstslide

Voordat je het filmpje bekijkt eerst het volgende:

Er zijn bepaalde en onbepaalde lidwoorden.
Met bepaalde lidwoorden bestempel je een specifiek object (je hebt dit al in je vizier zeg maar).
Met onbepaalde lidwoorden benoem je een 'random', niet gespecificeerd object.

Bepaalde lidwoorden zijn: de en het (de stoel waarop je nu zit).
Een onbepaald lidwoord is: een (een stoel in de kantine op school).

Slide 9 - Tekstslide

Verder:

Ieder woord heeft een geslacht: mannelijk, vrouwelijk of onzijdig.
In het Nederlands bestempelen we zowel de mannelijke als ook de vrouwelijke woorden met het lidwoord de
Geen gedoe en lekker makkelijk.
De onzijdige woorden bestempelen met het lidwoord het.
Niet gespecificeerde/ onbepaalde woorden bestempelen we met het lidwoord een
Een past zowel voor mannelijke, vrouwelijke, als ook onzijdige woorden.

Slide 10 - Tekstslide

Hier wijkt de Duitse lidwoordentechniek af.
Daarom vinden wij Nederlanders dit ook zo vervelend om te leren.

Voor de mannelijke woorden gebruiken de Duitsers het lidwoord der.
Voor de vrouwelijke woorden gebruiken de Duitsers het lidwoord die.
Voor de onzijdige woorden gebruiken de Duitsers het lidwoord das.

Slide 11 - Tekstslide

Ook het onbepaalde lidwoord een heeft in het Duits verschillende varianten:

De basisvariant is ein.

Voor de mannelijke woorden gebruiken de Duitsers het onbepaalde lidwoord ein.
Voor de vrouwelijke woorden gebruiken de Duitsers het onbepaalde lidwoord eine.
Voor de onzijdige woorden gebruiken de Duitsers het onbepaalde lidwoord ein

Slide 12 - Tekstslide

Waarom al deze verschillende lidwoorden?!

De Duitse taal is veel specifieker. Van ieder woord wil men weten wat het geslacht en de functie in de zin is. 
Vandaar dat ieder woord dus een apart geslacht heeft en vandaar dat er zoveel verschillende uitgangen achter allerlei woorden kunnen worden geplakt. Deze geven aan wat de betekenis en de functie van het woord is in de zin. 
In de Nederlandse taal is dit niet meer het geval: deze is als het ware 'uitgekleed'. 
Op het gebied van grammatica is het Nederlands daarom een van de makkelijkst te leren talen (qua uitspraak dan weer niet).

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

In het filmpje worden alleen de bepaalde lidwoorden behandeld.

In de volgende slide vind je het filmpje.


Slide 15 - Tekstslide

Samenvatting:
Wat kun je zeggen over de Duitse lidwoorden:
- Welke zijn er?
- Welke soort woorden krijgen een mannelijk lidwoord?
- Welke soort woorden krijgen een vrouwlijk lidwoord?
- Welke soort woorden krijgen een onzijdig lidwoord?
- Welke voorbeelden werden er in het filmpje gegeven?
Noteer je bevindingen in de woordspin in de volgende slide.

Slide 16 - Tekstslide

Je bevindingen n.a.v.
het filmpje:

Slide 17 - Woordweb

Overzicht per geslacht:
Mannelijk:
- Mannelijke personen, beroepen en dieren,
- Dagen, dagdelen, maanden en jaargetijden,
- Windrichtingen,
- Automerken,
- Veel agrarische producten,
- Woorden eindigend op - ig, -ich, -ing, -ling, -ismus.

Slide 18 - Tekstslide

Voorbeelden mannelijk:

der Mann, der Junge, der Student, der Lehrer, der Buchhalter, der Rechtsanwalt, der Verwalter, der Geschäftsführer, der Stier, der Hahn, der Fisch, der Montag, der Januar, der Herbst, der Osten, der Porsche, der Käse, der Kaffee, der Tee, der Salat, der Honig, der Schmetterling, der Rassismus.

Slide 19 - Tekstslide

Overzicht per geslacht:
Vrouwelijk:
- Vrouwelijke personen, beroepen en dieren,
- Cijfers,
- Schepen en vliegtuigen,
- Veel woorden die eindigen op -e,
- Woorden eindigend op -heit, -keit, -ei, -ung, -ie, -ik, -ion, -ät, -is, -ur, -schaft.

Slide 20 - Tekstslide

Voorbeelden vrouwelijk:
die Frau, die Lehrerin, die Freundin, die Sekretärin, die Kuh, die Henne, die sechs, die zwanzig, die Titanic, die Kneipe, die Tasche, die Musik, die Bäckerei, die Freiheit, die Freundlichkeit, die Eigenschaft, die Präsentation, die Universität, die Qualität.

Slide 21 - Tekstslide

Overzicht per geslacht:
Onzijdig:
- Woorden die in het Nederlands ook vaak het krijgen,
- Letters,
- Metalen en chemische elementen,
- Woorden die beginnen met Ge- en eindigen op -e,
- Verkleinwoorden eindigend op -chen en -lein,
- Veel woorden eindigend op -nis, -tum, -ett, -fon, -jekt, -eum, -um.


Slide 22 - Tekstslide

Voorbeelden onzijdig:
das Buch, das Pferd, das Kind, das Küken, das E, das U, das Eisen, das Silber, das Gebäude, das Gemüse (groente), das Mädchen, das Brötchen, das Fräulein (het vrouwtje), das Zeugnis (het getuigschrift), das Eigentum, das Telefon, das Projekt, das Museum.

Slide 23 - Tekstslide

Instructie op oefening:
- Open de de opdracht die zodadelijk verschijnt,
- Bekijk de woorden en vertaal ze in je hoofd,
- Kijk ook op welke letters de woorden eindigen, 
- Bepaal op basis van de hier voorgaande instructie welk lidwoord bij welk woord hoort,
- Klik daarna op submit om je score te bekijken,
- Als hulp kun je het overzicht in de volgende slide erbij gebruiken.

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Link

Verzin nu drie Duitse zinnen waarin je de drie verschillende lidwoorden toepast. Noteer deze hier.

Slide 26 - Open vraag

Wat vond je van deze les qua inhoud: was deze onbekend en daarom nuttig?

Slide 27 - Open vraag

Wat vond je van deze les qua uitleg: was deze duidelijk en heeft hij je kennis gegeven?

Slide 28 - Open vraag

Auf Wiedersehen und...
bis nächste Woche!


Slide 29 - Tekstslide