Genexpressie en Genregulatie

Genexpressie en Genregulatie
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologyTertiary Education

In deze les zitten 33 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

Genexpressie en Genregulatie

Slide 1 - Tekstslide

Vandaag
  • Wat is genexpressie en genregulatie?
  • Genregulatie in prokaryoten/eukaryoten
  • Genexpressie in prokaryoten/eukaryoten 

Slide 2 - Tekstslide

Genregulatie
Elke cel van elk organisme heeft exact hetzelfde genetische materiaal; tijdens de celdeling wordt het DNA namelijk precies verdubbelt.


Slide 3 - Tekstslide

Genregulatie
Dat zou echter betekenen dat tijdens de Eiwit synthese ALLE mogelijke eiwitten gemaakt worden door élke cel , de hele tijd.

Dat is niet handig.

Slide 4 - Tekstslide

Genregulatie
Daarom worden er genen aan en uit gezet:

Dat noemen we genregulatie

Slide 5 - Tekstslide

Genregulatie
Genregulatie verschilt per organisme: 
  • Prokaryoten gebruiken inductoren om genen te reguleren.
  • Eukaryoten zetten genen permanent aan of uit.

Slide 6 - Tekstslide

Genexpressie
We praten over genexpressie wanneer er translatie plaatsvindt en één van de genen dus tot uiting komt. Daarover later meer.

Slide 7 - Tekstslide

Prokaryoot en Eukaryoot
Je weet:
Prokaryoten ééncelligen zonder celkern.
Eukaryoot (vaak) meercelligen met celkern

Slide 8 - Tekstslide

Prokaryoten: Genregulatie
Alleen prokaryoten hebben een stuk gen genaamd een  "operon".
Het operon bestaan uit verschillende onderdelen:

Slide 9 - Tekstslide

Prokaryoten
Prokaryoten hebben een stuk gen genaamd een  "operon".
Het operon bestaan uit verschillende onderdelen:
Structuur genen
De structuurgenen zijn de genen die informatie bevatten over het te maken eiwit. 
De structuurgenen liggen vaak naast elkaar zodat de genexpressie voor deze genen tegelijkertijd kan worden geregeld.

Slide 10 - Tekstslide

Prokaryoten
Prokaryoten hebben een stuk gen genaamd een  "operon".
Het operon bestaan uit verschillende onderdelen:
Regulator gen
Het regulator gen zorgt voor de 
synthese van het "repressor eiwit".

Dit gebeurt via eiwitsynthese met mRNA.

Slide 11 - Tekstslide

Prokaryoten
Prokaryoten hebben een stuk gen genaamd een  "operon".
Het operon bestaan uit verschillende onderdelen:
Promotor
de promotor is het stukje waaraan RNA-polymerase, het enzym dat zorgt voor RNA replicatie, kan binden en kan "vertrekken".

Slide 12 - Tekstslide

Prokaryoten
Prokaryoten hebben een stuk gen genaamd een  "operon".
Het operon bestaan uit verschillende onderdelen:
Operator
De operator is het oranje stukje en is een bindplaats voor de repressor. 
De repressor past hier dus als een soort puzzelstukje precies op.

Die operator is dus een soort aan- en uitknop :)

Slide 13 - Tekstslide

De repressor, gemaakt door de regulatorgen , kan zich binden aan de "operator".
Daardoor kan het RNA-polymerase enzym niet vertrekken en kunnen dus de structuurgenen niet gekopieerd worden.

Slide 14 - Tekstslide

Inductor
Dit proces speelt zich af als er géén inductor aanwezig is.

Een goed voorbeeld hiervoor is de E-coli bacterie.

Slide 15 - Tekstslide

E-coli
E-coli is een bacterie die in ons darmkanaal leeft.
E-coli eet vooral Glucose en Lactose. 
Om lactose te kunnen verteren moet E-coli een 
enzym aanmaken (Beta-galactosidase). Enzymen zijn eiwitten
Nu is het voor E-coli enorm onhandig om dat enzym aan te maken als er géén lactose aanwezig is. 

Dat kost enorm veel energie!

Slide 16 - Tekstslide

E-coli
De genexpressie (het maken van het enzym) hangt
dus af van het milieu (aanwezigheid van lactose)

Dit gebeurt omdat lactose kan binden aan de repressor; waardoor de repressor niet meer kan binden aan de operator. 

In dat geval kan RNA-polymerase binden aan de 
promotor; en komt het gen tot uiting.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Eukaryoten: Mensen
Eukaryoten zijn méércelligen (vaak) , daarom is het niet handig om voor elke cel altijd repressors te maken.

Dat kost te veel energie!


Slide 19 - Tekstslide

Eukaryoten: Mensen
.

Bij mensen worden er tijdens de embryonale ontwikkeling tot en met zo'n 220 verschillende type cellen gedifferentieerd.
Dit is handig, omdat niet élke cel élk eiwit hoeft te maken.
Spiercellen hoeven geen Insuline te maken, alvleesklier cellen wel

Slide 20 - Tekstslide

Embryonale stamcellen, de cellen die zich tijdens de zwangerschap als éérste delen zijn
omnipotent of totipotent.

Deze kunnen zich dus nog in álle celtypes verdelen. Onder andere de cellen voor de placenta of navelstreng!

Slide 21 - Tekstslide

Na die eerste paar delingen zijn er bepaalde genen uitgezet, waardoor de cellen zich "alleen" nog kunnen delen in de celtypes van het organisme zelf! 

Dit noemen we pluripotent.

Slide 22 - Tekstslide

Uiteindelijk zullen er steeds meer genen worden uitgezet waardoor de overblijvende stamcellen zich alleen nog kunnen delen in specifieke celtypes.
Bloedstamcellen kunnen zich bijvoorbeeld delen in de verschillende bloedcellen.

dit noemen we multipotent

Slide 23 - Tekstslide

Mensen: regulatorgenen
Maar hoe worden die genen dan uitgezet?
Simpel! 

Bij mensen kan RNA-polymerase alleen maar binden aan de promoter als er transcriptiefactoren aanwezig zijn.

Die transcriptiefactoren worden gemaakt door een regulatorgen!

Slide 24 - Tekstslide

Mensen: regulatorgenen
De regulatorgenen tijdens de embryonale ontwikkeling beïnvloeden elkaar; een soort domino effect. 

De plaats van een stamcel in het embryo bepaald welke regulatorgenen aan gaan. Hierdoor worden bepaalde eiwitten gemaakt die de nabijgelegen weer beïnvloeden.

Slide 25 - Tekstslide

Mensen
Ook bij volwassenen word genexpressie gereguleerd; zo maakt je thyroïde minstens 3 eiwitten aan maar niet tegelijkertijd en zeker niet de hele tijd.

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Mensen
Een factor voor genexpressie is het milieu. Zo kunnen het voor komen van bepaalde stoffen ook zorgen voor genexpressie.
Een hoog gehalte van glucose in het bloed zorgt bijvoorbeeld voor de maakt van Insuline.

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Histonen
Over het algemeen ligt DNA in de cellen opgerold; dat kan je een beetje vergelijken met een boekrol
Ligt het DNA mooi opgerold, dan valt het gen niet af te lezen.
Maar wordt het wat opengerold; dan kan RNA-polymerase wel binden
GEN

Slide 30 - Tekstslide

Histonen
Het ligt opgerold over histonen:

GEN

Slide 31 - Tekstslide

DNA-methylering
Om de genen wat dichter op elkaar te leggen, dus het "uitzetten" van de genen, wordt er een methyl-groep aangebonden.
Dit heet ook wel "DNA-methylering". 

Bij de deling van DNA worden deze methyleringspatronen ook doorgegeven.

Slide 32 - Tekstslide

DNA-methylering
Door het doorgeven van methyleringspatronen kan een organisme , op basis van milieu, bepaalde genregulaties doorgeven aan zijn nakomelingen! 

Dit heet "epigenetica"

Slide 33 - Tekstslide