4.1 Verwarmen deel 2

1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Kennenlijst.
  • Rekenen met de soortelijke warmte.
  • Wat is "delta" T  (        T).
  • Berekenen van de energie met het vermogen.
  • Omrekenen van calorie naar Joule
Δ

Slide 2 - Tekstslide

Kunnenlijst

Slide 3 - Tekstslide

Wat is de soortelijke warmte

Iedere stof heeft verschillende stofeigenschappen. (Kleur, geur, dichtheid, kook en smeltpunt)


Één van de stofeigenschappen is de soortelijke warmte.


Slide 4 - Tekstslide

Wat is de soortelijke warmte

De soortelijke warmte geeft aan hoeveel energie er nodig is om de temperatuur (T) van 1 gram (m) van de stof met 1 graad Celsius te laten stijgen.


Voor iedere stof is dit een andere waarde, bij water is dit 4,2 Joule.

Bij de toets krijg je een tabel waar deze waarden in staan


Slide 5 - Tekstslide

Wat is de soortelijke warmte

Wat kun je er mee?


Met de soortelijke warmte kun je uitrekenen hoeveel energie er nodig is om voorwerpen te verwarmen, of kun je uitrekenen hoeveel energie uit een systeem (je huis) gaat door warmte verlies (afkoelen).

Slide 6 - Tekstslide

Berekenen van de warmte.

De warmte (= energie) is afhankelijk van 3 dingen:

  1. de massa (m) in de eenheid gram (g)
  2. de soortelijke warmte (c) in de eenheid J/g.oC
  3. het temperatuursverschil (stijgen of dalen) (     T) in de eenheid oC
Δ

Slide 7 - Tekstslide

Bereken de warmte als je een ijzeren kogel van 0.5 kg van 20 tot 80 graden Celsius verwarmt. (Zoek de soortelijke warmte op op internet).

Slide 8 - Open vraag

Berekenen van de warmte

De "delta" wil zeggen "Het verschil".

Dit reken je uit door het eindgetal - begin getal.


Dus      T = eindtemperatuur - begintemperatuur.

Bij een positief antwoord is de stof verwarmd en is er energie in de stof gegaan.

Bij een negatief antwoord is de stof afgekoeld en is er energie uit de stof gegaan.

Δ

Slide 9 - Tekstslide

Soortelijke warmte van water
De soortelijke warmte van water is:  4,2 J/g oC

Oftewel: als je 1 gram water 1 oC in temperatuur wilt laten stijgen, dan heb je daar 4,2 Joule aan warmte nodig. Dit wordt ook de calorie genoemd.

Slide 10 - Tekstslide

Berekenen van de energie met het vermogen.

Bij elektrische energie kunnen we de hoeveelheid energie uitrekenen met het vermogen (de geleverde energie per seconde).


Om de energie uit te kunnen rekenen is het ook belangrijk dat je de tijd weet. Hoe langer het apparaat aan staat, des te meer stroom het gaat kosten, en dat vinden ouders meestal niet fijn

Slide 11 - Tekstslide

Berekenen van de energie met het vermogen.

Om de energie (E) in de eenheid Joule (J), te kunnen berekenen zijn dus twee dingen nodig:

  1. het vermogen (P) in de eenheid Watt (W)
  2. de tijd (t) in de eenheid seconde (s)


De formule is dan: E = P . t

Slide 12 - Tekstslide

Berekenen van de energie met het vermogen.
Met deze formule is het ook mogelijk om de tijd uit te rekenen als je de energie en het vermogen weet, en om het vermogen uit te rekenen als je de energie en de tijd weet (zie ombouwen formules)

Slide 13 - Tekstslide

Calorie

Op de meeste voedselproducten en dieten wordt de energie niet in Joule berekend, maar in Calorie.


De calorie is de hoeveelheid energie die nodig is om 1 gram water 1 graad Celsius te laten verwarmen.

Dit is dus weer die 4,2.

1 Cal = 4,2 J

Slide 14 - Tekstslide

Vragen

Neem je telefoon of je laptop er bij en meld je aan op Lesson-up (student of leerling).

Noteer je eigen naam of namen in.

Vul de code in.

Leg ook je rekenmachine klaar!

Voor iedere vraag heb je 10 seconde, dus zit klaar.


Slide 15 - Tekstslide

Wat is de eenheid voor energie?
A
Watt
B
Joule
C
seconde
D
gram

Slide 16 - Quizvraag

Wat is de eenheid voor warmte?
A
Watt
B
Joule
C
seconde
D
gram

Slide 17 - Quizvraag

Wat is de eenheid voor vermogen?
A
Watt
B
Joule
C
seconde
D
gram

Slide 18 - Quizvraag

Bereken de T.
Water wordt verwarmd van 21 graden naar het kookpunt van water.
Δ
A
21 graden Celsius
B
100 graden Celsius
C
79 graden Celsius
D
121 graden Celsius

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het kookpunt?
A
100 graden Celsius
B
een punt waarbij een stof gaat koken
C
de temperatuur waarbij een stof gaat koken

Slide 20 - Quizvraag

Bereken de energie die nodig is om een föhn te laten werken. De föhn staat 10 minuten aan en gebruikt een vermogen van 1,5 kW
A
15 J
B
15 000 J
C
900 J
D
900 000 J

Slide 21 - Quizvraag

Bereken hoeveel energie er nodig is om 20 gram beton 10 graden Celsius te verwarmen. De soortelijke warmte van beton is 1 J/(g.C)
A
20 J
B
200 J
C
2000 J
D
20 000 J

Slide 22 - Quizvraag

Reken om: In een koekje zit 230 kCal. Hoeveel Joule zit er in het koekje?
A
230 J
B
230 kJ
C
966 J
D
966 kJ

Slide 23 - Quizvraag