1220 signaalwoorden

havo 4 
Compréhension écrite:
les connecteurs logiques
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
FransMiddelbare schoolhavoLeerjaar 4

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

havo 4 
Compréhension écrite:
les connecteurs logiques

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Aujourd'hui
- Révision connecteurs


Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Noem 5 signaalwoorden in het Frans

Slide 3 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Wat voor verband kan een signaalwoord uitdrukken?

Slide 4 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Les connecteurs
  • opsomming : et, aussi, en outre, de plus
  • tegenstelling : mais, par contre, cependant, malgré
  • tijdsvolgorde : lorsque, après, avant de, pendant que
  • oorzaak/reden : car, parce que, comme (begin zin!), puisque 
  • voorwaarde : si
  • toelichting : par exemple, entre autres
  • doel : pour que, afin que
  • conclusie : bref, enfin
  • vergelijking : comme (halverwege!), ainsi que, de même que (staat niet in référence)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van het signaalwoord:

Bref
A
uitbreiding / opsomming
B
gevolg
C
conclusie
D
doel

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van het signaalwoord:

par conséquent

A
uitbreiding / opsomming
B
gevolg
C
conclusie
D
doel

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van het signaalwoord:

afin que

A
uitbreiding / opsomming
B
gevolg
C
conclusie
D
doel

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van het signaalwoord:

parce que

A
uitbreiding / opsomming
B
reden
C
conclusie
D
doel

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal het signaalwoord:
malgré
A
ten slotte
B
aangezien
C
ondanks
D
opdat

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal het signaalwoord:
'lors de'
A
dus
B
want
C
tijdens
D
daarvoor

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal het signaalwoord:
'puis'
A
want
B
omdat
C
maar
D
vervolgens

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vertaal het signaalwoord:
'en outre'
A
want
B
daarentegen
C
bovendien
D
ook

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

doel
gevolg
tijdsbepaling
opsomming / aaneenschakeling
verklaring / uitleg
voorbeeld / vergelijking
et
pour
plus tard
puis
d'abord
:
grâce à
ensuite
comme
aujourd'hui

Slide 14 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

1 Welk verband?
''Je n'aime pas du tout les filles, car elles parlent
trop''
A
reden
B
tegenstelling
C
opsomming

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

2 Welk verband?
''Mets d'abord les oeufs dans un bol, puis bats-les avec un fouet.''
A
reden
B
conclusie
C
opsomming

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

3 Welk verband?
''Les Français parlent très vite, il est donc difficile de les comprendre.''
A
reden
B
conclusie
C
tegenstelling

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk signaalwoord past?
Je suis fatigué, ______ je dois travailler.
A
comme
B
donc
C
puis
D
mais

Slide 18 - Quizvraag

Vraag na elk antwoord waarom dat signaalwoord past.

Welk verband zie je tussen de zinnen?
Welk verband drukt het signaalwoord dus uit?
Welk signaalwoord past?
D'abord on a mangé, ______ on a fait du sport.
A
donc
B
par contre
C
puis
D
alors

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welk signaalwoord past?
J'aime l'école, ______ j'espère qu'elle ouvrira bientôt ses portes.
A
donc
B
mais
C
ensuite
D
par contre

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Opsomming
Reden
Tegenstelling
Conclusie
car
mais
par contre
donc
en plus
au contraire
comme
ensuite
alors
d'abord
puis
parce que
bref
cependant

Slide 21 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent: comme?
A
net als
B
omdat
C
want
D
ook

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat betekent: lorsque?
A
daarna
B
wanneer
C
toen
D
maar

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat drukt 'donc' uit?
A
opsomming
B
voorwaarde
C
doel
D
oorzaak/reden

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat drukt 'entre autres' uit?
A
vergelijking
B
toelichting
C
tijdsvolgorde
D
tegenstelling

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies