1e en 4e naamval: persoonlijk voornaamwoord en voorzetsels

1 / 40
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 40 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Toetsen
Hoofdstuk 7 en 8 (2x)
Vlog (4x)

Slide 2 - Tekstslide

Vragen

Slide 3 - Tekstslide

1e en 4e naamval

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen
- Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits in de 1e en 4e naamval 
- Ik ken de voorzetsels met een 4e naamval  
- Ik kan de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits gebruiken in de 1e en 4e naamval 


Slide 5 - Tekstslide

Welke persoonlijke voornaamwoorden ken je in het Duits?

Slide 6 - Woordweb

Persoonlijk voornaamwoord zoals je kent staat in de 1e naamval --> dit is het onderwerp

1e naamval:
ik         jij      hij     zij      het     wij      jullie        zij         u
ich      du     er      sie    es        wir      ihr           sie        Sie 

  • Ik kom morgen ook. / Ich komme morgen auch.
  • ik / ich = onderwerp

Slide 7 - Tekstslide

In het Nederlands 
Ik wil graag een schnitzel.

De schnitzel is voor mij

Jij wil graag een schnitzel. 

De schnitzel is voor jou

--> Het persoonlijk voornaamwoord verandert door het voorzetsel "voor"! 


Slide 8 - Tekstslide

In het Duits
Ich möchte ein Schnitzel. 

Das Schnitzel ist für mich

Du möchtest ein Schnitzel.  

Das Schnitzel ist für dich

--> Het persoonlijk voornaamwoord verandert door het voorzetsel "für"! 

Slide 9 - Tekstslide

In het Duits noemen we deze verandering van het persoonlijk voornaamwoord een 4e naamval
Alle persoonlijke voornaamwoorden in het Duits bestaan dus in de 1e naamval en in de 4e naamval. 


Slide 10 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord zoals je kent staat in de 1e naamval --> dit is het onderwerp

1e naamval:
ik         jij      hij     zij      het     wij      jullie        zij         u
ich      du     er      sie    es        wir      ihr           sie        Sie 

  • Ik kom morgen ook. / Ich komme morgen auch.
  • ik / ich = onderwerp

Slide 11 - Tekstslide

Persoonlijk voornaamwoord 
1e en 4e naamval
1e naamval:
  • ik          jij         hij        zij        het        wij      jullie      zij               u
  • ich       du       er         sie        es         wir     ihr          sie              Sie 

4e naamval:
  • mij       jou      hem    haar    het       ons     jullie     hun/hen     u  
  • mich   dich   ihn       sie       es          uns     euch    sie                Sie


Slide 12 - Tekstslide

Wanneer gebruik je de 4e naamval? 
We hebben net gezien dat je de 4e naamval gebruikt na het voorzetsel für . 
Er zijn nog een aantal voorzetsels waarachter ALTIJD een 4e naamval komt. 
durch, für, ohne, um, bis, gegen 

Slide 13 - Tekstslide

Voorzetsels met de 4e naamval
Voorzetsels behorend bij 4e naamval:
1. durch = door
2. für = voor 
3. ohne = zonder
4. um = om
5. bis = tot
 6 gegen= tegen

Voorzetsels:
in de kast, op de kast, naast de kast, etc.

Slide 14 - Tekstslide

Hierop zijn geen uitzonderingen! 

Na deze voorzetsels schrijf je ALTIJD de 4e naamval. 

Bijv: Ich kann nicht ohne ihn. 
Ik kan niet zonder hem. 

Slide 15 - Tekstslide

Noteer de volgende twee dia's in je schrift zodat je dit altijd paraat hebt. 

Slide 16 - Tekstslide

1e naamval 
4e naamval 
ich 
mich 
du 
dich 
er 
ihn 
sie 
sie 
es 
es 
wir 
uns 
ihr
euch
sie
sie
Sie
Sie 

Slide 17 - Tekstslide

Voorzetsels met de 4e naamval
Voorzetsels behorend bij 4e naamval:
1. 1. durch = door
2. für = voor
3. ohne = zonder
4. um = om
5. bis = tot
 6 gegen= tegen

Voorzetsels:
in de kast, op de kast, naast de kast, etc.

Slide 18 - Tekstslide

Deze voorzetsels moet je uit je hoofd leren. Het volgende filmpje kan je helpen

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Staan de rijtjes in je schrift? 
Persoonlijk voornaamwoord 1e en 4e naamval 
Voorzetsels met 4e naamval 

Slide 21 - Tekstslide

En nu... even oefenen 

Slide 22 - Tekstslide

Vul de juiste vorm van het persoonlijk voornaamwoord in
Ich kaufe für …….. (hem) ein T-Shirt.
A
er
B
ihn
C
ihm

Slide 23 - Quizvraag

Persoonlijk voornaamwoord 4e naamval
Wat betekent 'zonder jou' in het Duits?
A
ohne du
B
um dich
C
ohne dich
D
ohne ihn

Slide 24 - Quizvraag

Persoonlijk voornaamwoord 4e naamval
Wat betekent 'durch ihn' in het Nederlands?
A
door hem
B
door haar
C
door ons
D
door jullie

Slide 25 - Quizvraag

Vul het juiste persoonlijk voornaamwoord in

Slide 26 - Tekstslide

1. (hij/hem)
Mario kommt. Patrick spielt heute Tennis gegen .......

Slide 27 - Open vraag

2. (u)
Das Sportprogrammheft ist für .......

Slide 28 - Open vraag

3. (zij/haar)
Nur durch ...... haben wir verloren.

Slide 29 - Open vraag

4. (jij/jou)
Hast ........... was gegen mich?

Slide 30 - Open vraag

Hast .....du...... was gegen mich?
 
Je vult hier "du" in (onderwerp van de zin). 
Het voorzetsel "gegen" heeft wel een 4e naamval, maar "mich" staat daarom al in de 4e naamval. 
Een VOORzetsel, staat dus VOOR de 4e naamval. 

Slide 31 - Tekstslide

Nog een paar oefeningen...  
Vul alleen het juiste antwoord in.

Slide 32 - Tekstslide

1/3
... ... (zonder jullie) ist die Reise nicht halb so toll.

Slide 33 - Open vraag

2/3
Habt ihr einen Prospekt ... ... (voor ons) mitgebracht?

Slide 34 - Open vraag

3/3
Es geht immer [om haar] ... ... .

Slide 35 - Open vraag

Leerdoelen
- Ik ken de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits in de 1e en 4e naamval 
- Ik ken de voorzetsels met een 4e naamval  
- Ik kan de persoonlijke voornaamwoorden in het Duits gebruiken in de 1e en 4e naamval 


Slide 36 - Tekstslide

Heb je de leerdoelen uit deze les bereikt?
A
Ja, ik snap het helemaal
B
Ja, maar ik moet nog meer oefenen
C
Nee, ik snap het nog niet zo maar ik kom er zelf wel uit
D
Nee, ik snap het nog niet en heb hulp nodig van mijn docent

Slide 37 - Quizvraag

Stel 1 vraag over iets dat je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 38 - Open vraag

Das war es für heute! 

Danke für's mitmachen, schönen Tag und genießt euch die Sonne! 

Slide 39 - Tekstslide

Slide 40 - Tekstslide