M1 Hoofdstuk 6

Bienvenidos!
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMBOStudiejaar 1

In deze les zitten 31 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 90 min

Onderdelen in deze les

Bienvenidos!

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toetsen

-Toets hoofdstuk 6: na meivakantie
-Toets hoofdstuk 4: datum volgt zsm 
-Menukaart: week v 25 mei 
- Taalrestaurant (examenweek-week v 22 juni) 

Slide 3 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qué día es hoy? 

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

 Capítulo 6

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdstuk 6
-werkwoorden 'moeten' en 'gaan'
-plaatsaanduidingen: achter/naast/voor/etc. 
-de klok
-routebeschrijvingen
-leesvaardigheid 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

la hora - de kloktijden

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

La hora
¿Qué hora es?
¿A qué hora te levantas?
¿A qué hora desayunas?
¿A qué hora termina la clase?
¿A qué hora tenéis la pausa?
¿A qué hora cenas?
¿A qué hora te acuestas?

Slide 9 - Tekstslide

Rondvragen in de klas
¿Qué hora es?

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qué hora es? 

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IR=Gaan             IR A=Gaan naar/going to
yo
tengo que
tienes que
el/ella/usted
tiene que
nosotros
tenemos que
vosotros
tenéis que
ellos/ellas/ustedes
tienen que 
tener que = moeten  (+ werkwoord)
bijv.   ik moet werken = tengo que trabajar

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

moeten = tener que
ik moet koffie drinken 
jij moet Spaans praten
Juan moet studeren
ik moet morgen werken 

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IR=Gaan             IR A=Gaan naar/going to
yo
voy 
vas 
el/ella/usted
va 
nosotros
vamos
vosotros
váis 
ellos/ellas/ustedes
van 
Ir = gaan                        

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IR=Gaan             IR A=Gaan naar/going to
Ir + a = gaan naar

Voy a Barcelona.
Vas a la discoteca. 
Thijmen va a España. 
Liz y yo vamos a Amsterdam. 
Vosotros vais a la escuela. 
Noortje y Gioia van a Zara. 

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

IR=Gaan             IR A=Gaan naar/going to
Ir + a + hele werkwoord = gaan + werkwoord (toekomst) 

Voy a bailar en la discoteca.
Vas a comer una hamburguesa con queso
Kiki va a comprar una bebida
Evie y yo vamos a estudiar español. 
Vosotros vais a fumar en la playa. 
Feline y Olin van a comprar un perfume en Zara. 

Slide 16 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

vaste combinaties met het werkwoord IR
ir de compras = winkelen                            bijv. voy de compras 
ir de copas = drankjes doen                                vamos de copas
ir de vacaciones = op vakantie gaan 
ir de fiesta = uitgaan
ir de tapas = tapas eten
ir de viaje = op reis gaan 

Slide 17 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

ir

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Toetsen

-Toets hoofdstuk 6: 2e les na meivakantie
-Toets hoofdstuk 4: datum volgt zsm 
-Menukaart voor Taalrestaurant: eind mei 
- Taalrestaurant (examenweek-week v 22 juni) 

Slide 19 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat moet ik leren voor de toets? 
  • werkwoord tener que (moeten)
  • werkwoord ir (gaan)
  • de klok (inclusief nummers uitschrijven) 
  • plaatsaanduidingen: hier/daar/naast/tegenover, etcetera.  
  • je krijgt ook een leestekstje 

Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Qué día es hoy? 

Slide 21 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plaatsaanduiding
aquí
allí
en
delante de ...
detrás de ...
cerca de ...
lejos de ...
entre  ... 
al lado de ...
enfrente de ..


vertaling
hier
daar
in/met/op
voor
achter
dichtbij
ver van
tussen ... 
naast
tegenover

Slide 22 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

De klok in het Spaans 
welke nummers heb je nodig? 
1 t/m 12 
20
25

Slide 23 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

la hora - de kloktijden

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

La hora
¿Qué hora es?
¿A qué hora te levantas?
¿A qué hora desayunas?
¿A qué hora termina la clase?
¿A qué hora tenéis la pausa?
¿A qué hora cenas?
¿A qué hora te acuestas?

Slide 26 - Tekstslide

Rondvragen in de klas
¿Qué hora es?

Slide 27 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Plaatsaanduidingen
Welke kennen we al? 

Aquí        Fitz está aquí
Allí           Noa está allí.
En            La coca cola está en la mesa. 
En            Barcelona está en España
En            Viajo en autobús a la escuela. 

Slide 29 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Plaatsaanduiding
aquí
allí
en
delante de ...
detrás de ...
cerca de ...
lejos de ...
entre  ... 
al lado de ...
enfrente de ..


vertaling
hier
daar
in/met/op
voor
achter
dichtbij
ver van
tussen ... 
naast
tegenover

Slide 30 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een paar voorbeelden 
Los estudiantes están delante de la escuela. 
El camarero está detrás del bar.                                          del = de + el 
Den Haag está cerca de Voorburg.
Den Haag está lejos de Maastricht.
Gioia está entre Noortje y Liz
Sam está al lado de Jaizley. 

Slide 31 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies