MBO-rm-FIN2-H3.3

Welkom FIN2!
Open op je eigen telefoon of laptop
www.lessonup.app 
Gebruik de code die linksonder staat.
Vul je eigen naam in voor presentielijst en om te tonen bij uitslagen van de quiz die we gaan doen.
1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
HandelMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 26 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Welkom FIN2!
Open op je eigen telefoon of laptop
www.lessonup.app 
Gebruik de code die linksonder staat.
Vul je eigen naam in voor presentielijst en om te tonen bij uitslagen van de quiz die we gaan doen.

Slide 1 - Tekstslide

Planning voor vandaag
Rekenen met formules uit H3.1 t/m H3.3 (20 minuten).
Zelf opgaven maken, vanaf pg 129 (20 minuten).
Opgave met berekening bespreken (15 minuten)

Slide 2 - Tekstslide

Wat is het Bezettingsresultaat?

Als € 25.000 omzet is gerealiseerd terwijl € 20.000 was gebudgetteerd, bij € 5.000 vaste kosten.
A
- € 1.250
B
- € 1.000
C
€ 1.250
D
€ 1.000

Slide 3 - Quizvraag


Uitwerking
Als € 25.000 omzet is gerealiseerd terwijl € 20.000 was gebudgetteerd, bij € 5.000 vaste kosten.
“Vaste kosten” = “Totale constante kosten” en “Normale omzet” = “Gebudgetteerde omzet”.
Stap 1: Constantekostentarief = Vaste kosten / Normale omzet = € 5.000 / € 20.000 = € 0,25
Stap 2: Bezettingsresultaat = ( Werkelijke omzet – Normale omzet ) x Constantekostentarief 
= ( € 25.000 - € 20.000 ) x € 0,25 = € 1.250

Kortere formule: Bezettingsresultaat 
= (Werkelijke omzet – Normale omzet) x (Vaste kosten / Normale kosten)

Slide 4 - Tekstslide

Foute berekeningen
Bezettingsresultaat = (Werkelijke omzet – Normale omzet) x (Vaste kosten / Normale kosten)

• - € 1.250 = (€ 20.000 - € 25.000) x (€ 5.000 / € 20.000)
• - € 1.000 = (€ 20.000 - € 25.000) x (€ 5.000 / € 25.000)
• € 1.000 = (€ 25.000 – € 20.000) x (€ 5.000 / € 25.000)

Als € 25.000 omzet is gerealiseerd terwijl € 20.000 was gebudgetteerd, bij € 5.000 vaste kosten.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is het Bezettingsresultaat?

Als werkelijke omzet € 16.000 was terwijl € 18.000 normaal is, bij € 4.500 vaste kosten.
A
- € 562,50
B
- € 500,00
C
€ 562,50
D
€ 500,00

Slide 6 - Quizvraag

Uitwerking
Bezettingsresultaat 
= (Werkelijke omzet – Normale omzet) x (Vaste kosten / Normale kosten)
=  • GOED - € 500,00 = (16.000 - 18.000) x (4.500 / 18.000) 
= (16.000 - 18.000) x (4.500 / 18.000)
= - € 2.000 x 0,25
= - € 500,00 (verlies)
Als € 16.000 omzet is gerealiseerd terwijl € 18.000 was gebudgetteerd, bij € 4.500 vaste kosten.

Slide 7 - Tekstslide

Foute berekeningen
Bezettingsresultaat 
= (Werkelijke omzet – Normale omzet) x (Vaste kosten / Normale kosten)

 • - € 562,50 = (16.000 - 18.000) x (4.500 / 16.000)
• € 500,00 = (18.000 – 16.000) x (4.500 / 18.000)
• € 562,50 = (18.000 – 16.000) x (4.500 / 16.000)
Als € 16.000 omzet is gerealiseerd terwijl € 18.000 was gebudgetteerd, bij € 4.500 vaste kosten.

Slide 8 - Tekstslide

Integrale kostprijs 
Formule
Integrale kostprijs  
=
(Constante kosten / Normale bezetting) 
+
(Variabele kosten / Begrote bezetting)

Slide 9 - Tekstslide

Integrale kostprijs
Voorbeeld 
 (Constante kosten € 12.000 / Normale bezetting 8.000 stuks) 
+ (Variabele kosten € 14.000 / Begrote bezetting 8.000 stuks)
 [  Herken de begrote inkoopprijs: ]

Integrale kostprijs 
= (Constante kosten € 12.000 / Normale bezetting 8.000 stuks) + (inkoopprijs 1,75) 
= € 1,50 + € 1,75 = € 3,25

Slide 10 - Tekstslide

Wat is de integrale kostprijs?

Constante kosten €4.500 Gebudgetteerde afzet 5.000 stuks met begrote inkoop € 20.000
A
€ 3,60
B
€ 4,90
C
€ 5,11
D
€ 5,34

Slide 11 - Quizvraag

Uitwerking
Integrale kostprijs  
= (Constante kosten / Normale bezetting)  + (Variabele kosten / Begrote bezetting)

(€ 4.500 / 5.000 stuks) + (€ 20.000 / 5.000)
= € 4,90

Constante kosten € 4.500 Gebudgetteerde afzet 5.000 stuks met begrote inkoop € 20.000

Slide 12 - Tekstslide

Foute berekeningen
Integrale kostprijs 
= (Constante kosten / Normale bezetting) + (Variabele kosten / Begrote bezetting)

(€ 4.500 / 5.000 stuks) x (€ 20.000 / 5.000) =  € 3,60 
 (5.000 stuks / € 4.500) + (€ 20.000 / 5.000) = € 5,11 
(€ 4.500 / 5.000 stuks) + (€ 20.000 / € 4.500) = € 5,34
Constante kosten € 4.500 Gebudgetteerde afzet 5.000 stuks met begrote inkoop € 20.000

Slide 13 - Tekstslide

Formule Budgetresultaat

Wat geef je minder uit dan je had begroot ?

Budgetresultaat 
= Totale begrote kosten – Totale werkelijke kosten

Slide 14 - Tekstslide

Wat is mijn Budgetresultaat?
Constante kosten € 4.000 en begroot 1.500 stuks tegen € 3 terwijl werkelijk 1.200 stuks tegen € 4 werden gebruikt.
A
- € 2.400
B
- € 800
C
- € 300
D
€ 4.800

Slide 15 - Quizvraag

Uitwerking
Budgetresultaat = Totale begrote kosten – Totale werkelijke kosten

= {€ 4.000 + (1.500 x € 3) } - {€ 4.000 + (1.200 x € 4) } 
= € 4.500 - € 4.800
= - € 300 (verlies).
Constante kosten € 4.000 en begroot 1.500 stuks tegen € 3 
terwijl werkelijk 1.200 stuks tegen € 4 werden gebruikt.

Slide 16 - Tekstslide

Foute berekeningen
Budgetresultaat = Totale begrote kosten – Totale werkelijke kosten
{€ 4.000 + (1.200 x € 3) } - {€ 4.000 + (1.500 x € 4) } = € 3.600 - € 6.000 = - € 2.400 (verlies)
{€ 4.000 } - { (1.200 x € 4) } = € 4.000 - € 4.800 = - € 800 (verlies)
{€ 4.000 + (1.500 x € 4) } - {€ 4.000 + (1.200 x € 3) } = € 6.000 - € 3.600 = € 2.400 (winst)

Constante kosten € 4.000 en begroot 1.500 stuks tegen € 3
terwijl werkelijk 1.200 stuks tegen € 4 werden gebruikt.

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Wat is GEEN Efficiencyverschil?
A
Extra omzet door harder werken
B
Extra omzet door meer klanten
C
Extra omzet door meer verkopen per klant
D
Extra omzet door hogere prijzen

Slide 19 - Quizvraag

Formule 
Efficiencyverschil
Efficiencyverschil = 
(Standaard hoeveelheid – Werkelijke hoeveelheid) x Standaardprijs

Formule Standaardprijs
Standaardprijs = Begrote variabele kosten / Begrote afzet


Slide 20 - Tekstslide

Snellere formule 
Efficiencyverschil
Efficiencyverschil = 
(Begrote hoeveelheid – Werkelijke hoeveelheid) 
x ( Begrote variabele kosten / Begrote afzet )

Slide 21 - Tekstslide

Voorbeeld berekening
Efficiencyverschil
Je hebt begroot € 3.200 inkoopkosten te maken voor verkoop 800 stuks maar weet er 900 te verkopen.
Efficiencyverschil = (Begrote hoeveelheid – Werkelijke hoeveelheid) x ( Begrote variabele kosten / Begrote afzet )
= (800 stuks – 900 stuks) x ( € 3.200 / 800 stuks ) = -100 x € 4,00 = - € 400
Dus efficiencyverschil is € 400 winst.

Slide 22 - Tekstslide

Formule 
Prijsverschil
Prijsverschil = 
(Standaardprijs – Werkelijke prijs) x Werkelijke hoeveelheid

Slide 23 - Tekstslide

Voorbeeld berekening
Prijsverschil
Volgens je budget heb je 500 stuks nodig voor € 3 per stuk maar 
feitelijk koop je 600 stuks in voor € 2,90 per stuk.

Prijsverschil = (Standaardprijs – Werkelijke prijs) x Werkelijke hoeveelheid
= (€ 3,00 - € 2,90) x 600 = € 60
Dus prijsverschil is € 60 winst.

Slide 24 - Tekstslide

Opgaven

Vragen 11 en 12.
Vanaf pagina 129.

Slide 25 - Tekstslide

Voorbereiding volgende les
Maak een foto van derving of lekkage die hoort bij H3.4

Slide 26 - Tekstslide