Perfekt: haben en sein + voltooid deelwoord

Perfekt
De voltooide tijd
1 / 24
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolvmbo k, g, t, mavo, havoLeerjaar 2,3

In deze les zitten 24 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Perfekt
De voltooide tijd

Slide 1 - Tekstslide

De voltooide tijd: hulpwerkwoord + voltooid deelwoord

Slide 2 - Tekstslide

Wat is eigenlijk het voltooid deelwoord?

Slide 3 - Tekstslide

Geef voorbeelden van voltooid deelwoorden in het Nederlands

Slide 4 - Woordweb

Kijk naar de onderstaande zinnen


Ich habe Wurst gegessen. (Ik heb worst gegeten.)
Piet hat ein neues Auto gekauft. (Piet heeft een nieuwe auto gekocht.)
Saskia ist nach Deutschland gereist. (Saskia is naar Duitsland gereisd.)
Jan ist nach Enschede gegangen. (Jan is naar Enschede gegaan.)

Slide 5 - Tekstslide

haben / sein + voltooid deelwoord


Als er een voltooid deelwoord in een zin staat, 
gebruik je ook altijd een vorm van het werkwoord 
haben of sein

Slide 6 - Tekstslide

werkwoord haben
ich habe
du hast
er/sie/es hat
wir haben
ihr habt
sie/Sie haben
werkwoord sein
ich bin
du bist
er/sie/es ist
wir sind
ihr seid
sie/Sie sind

Slide 7 - Tekstslide

(Jij bent) 15 geworden.
A
Du hast
B
Er hat
C
Du bist
D
Er ist

Slide 8 - Quizvraag

(Hij heeft) essen gekocht.
A
Du hast
B
Er hat
C
Du bist
D
Er ist

Slide 9 - Quizvraag

(Ik ben) nach Deutschland gereist.

Slide 10 - Open vraag

(Wij zijn) mit dem Fahrrad gefahren.

Slide 11 - Open vraag

(Jullie hebben) gut gearbeitet.

Slide 12 - Open vraag

regelmatige werkwoorden
  • ge + stam + t   
  • wohnen - ge wohn t
  • spielen - ge spiel t
  • machen - ge mach t

Slide 13 - Tekstslide

Uitzondering:
Werkwoorden die eindigen op een -t of -d in de stam:
Ich habe gearbeitet
Sie hat gebadet

Slide 14 - Tekstslide

Ich habe meine Hausaufgaben (machen).
A
gemachen
B
gemachd
C
machen
D
gemacht

Slide 15 - Quizvraag

Ich (haben) gestern (arbeiten).
A
bin....gearbeitet
B
haben....gearbeitet
C
habe ...gearbeitet
D
habe.... gearbeit

Slide 16 - Quizvraag

Das Mädchen (haben) gestern viel (lachen)
A
hast gelachen
B
hat gelacht
C
hat gelachen
D
habe gelacht

Slide 17 - Quizvraag

Die Touristen (haben) im Meer (baden)
A
haben ... gebaden
B
haben....gebaad
C
haben....gebadet
D
hat .....gebadet

Slide 18 - Quizvraag


Das Kind (haben) viel Geld (sparen)

Slide 19 - Open vraag

Der Mann (sein) nach Deutschland (reisen)

Slide 20 - Open vraag


Ich (haben) (bremsen)

Slide 21 - Open vraag

Er (haben) den ganzen Tag Netflix (schauen)

Slide 22 - Open vraag

Slide 23 - Tekstslide



Het doel van de les is om het Perfekt (de voltooide tijd) in het Duits te kunnen gebruiken. Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.
Dit is een open vraag.

Slide 24 - Open vraag