rekenen groep 5 meten van gewicht

Rekenen
I
Wegen met kilogram en gram.
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenBasisschoolGroep 5

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Rekenen
I
Wegen met kilogram en gram.

Slide 1 - Tekstslide

GRAM
1000 g = 1 kg
afkorting = g
doosje aardbeien
kruiden en specerijen
vleeswaren
keukenweegschaal
groente
gewichtjes 

Slide 2 - Tekstslide

KILOGRAM
1000 g = 1 kg
afkorting = kg
zak appels
personen
vlees
personenweegschaal
gewichtheffen

Slide 3 - Tekstslide

We gaan nu oefenen

Slide 4 - Tekstslide

Wat is de afkorting van kilogram?
A
kilo
B
gram
C
g
D
kg

Slide 5 - Quizvraag

Wat is de afkorting van gram?
A
g
B
gr
C
gram
D
kilo

Slide 6 - Quizvraag

Hoeveel gram is een kilogram?
A
1
B
10
C
100
D
1000

Slide 7 - Quizvraag

Hoeveel kilogram is 1000 gram?
A
1
B
10
C
100
D
1000

Slide 8 - Quizvraag

Wanneer gebruik je een keuken weegschaal?
A
Als ik wil weten hoe zwaar ik ben.
B
Als ik wil weten hoeveel melk ik nodig heb voor pannenkoeken.
C
Als ik wil weten hoeveel gram meel ik nodig heb voor een taart.
D
Als ik wil weten hoe zwaar mijn koffer is.

Slide 9 - Quizvraag

Wat is gelijk aan 0,5 kg?
A
5 g
B
50 g
C
500 g
D
5000 g

Slide 10 - Quizvraag

Wat weegt 1 kg?
A
1,5 liter cola
B
pak suiker
C
koffiepads
D
zak chips

Slide 11 - Quizvraag

Wat is gelijk aan 1,5 kg
Kies twee antwoorden.
A
1 kg en 500 g
B
1 kg 50 g
C
15 kg
D
1500 g

Slide 12 - Quizvraag

Wat is gelijk aan 2,1 kg?
A
21 g
B
210 g
C
2100 g
D
21000 g

Slide 13 - Quizvraag

Wat is gelijk aan 3800 g?
A
3,8 kg
B
38 kg
C
0,38 kg
D
380 kg

Slide 14 - Quizvraag