cross

2 havo blok 3, grammatica herhaling

2 havo, grammatica
Vandaag gaan we je voorkennis activeren. Dat wil zeggen dat we vooral terug gaan kijken naar blok 3 en 4. en stap voor stap de onderdelen gaan herhalen.

Aan het eind van deze les weet je weer wat je allemaal hebt geleerd over grammatica voor de Coronacrisis.
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandshavoLeerjaar 2

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

2 havo, grammatica
Vandaag gaan we je voorkennis activeren. Dat wil zeggen dat we vooral terug gaan kijken naar blok 3 en 4. en stap voor stap de onderdelen gaan herhalen.

Aan het eind van deze les weet je weer wat je allemaal hebt geleerd over grammatica voor de Coronacrisis.

Slide 1 - Tekstslide

Wat heb je nodig deze les?
1. Je boek
2. De computer (op je mobiel wordt deze les heeeeeeel lastig)
3. Gezond verstand

Slide 2 - Tekstslide

Een opwarmertje
Je krijgt straks een zin te zien. Noteer welke zinsdelen je herkent in de zin.

Slide 3 - Tekstslide

Gisteren mailde de directie alle leerlingen een nieuwe wachtwoordinstructie

Slide 4 - Open vraag

Ga naar bladzijde 121 van je boek. Lees het gele blok.
In de volgende dia ga je het zinsdeel 'de boer' uitbreiden met twee bijvoeglijke bepalingen.

Slide 5 - Tekstslide

Breid het zinsdeel 'De boer' uit met twee bijvoeglijke bepalingen.

Volgens Yvonne Jaspers kon de boer in het bijzijn van de dames beter zijn mond houden.

Slide 6 - Open vraag

Weet je het nog? Een bijvoeglijke bepaling is geen zinsdeel maar.....

Slide 7 - Woordweb

Hoeveel bijvoeglijke bepalingen zitten er in de volgende zin?

Aan het eind van de digitale les lustten de uitgeputte leerlingen wel een koud ijsje.
A
twee
B
drie
C
vier
D
vijf

Slide 8 - Quizvraag

Is 'uit Frankrijk' in de onderstaande zin een bijwoordelijke bepaling of een bijvoeglijke bepaling?

De appels uit Frankrijk waren zeer geschikt als vulling voor een appeltaart.

Slide 9 - Open vraag

Slide 10 - Link

Wat is de bijstelling in de volgende zin?

Mijn nieuwe klasgenoot komt uit Opdall, een klein Noors plaatsje.

Slide 11 - Open vraag

Werkwoordsoorten
Lees nu het gele blok op bladzijde 124. Als je er een vraag over hebt, dan zet je je microfoon open en mag je hem direct stellen. Je docent zal straks aan iemand  vragen welk werkwoord altijd een hulpwerkwoord is in een zin met meerdere werkwoorden. Als je het antwoord weet, klik je op het handje (balk in teams).

 

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Link

Niet alle werkwoorden kunnen koppelen. De bekendste en meest voorkomende zijn in de les afgekort met ZW BB LS HDV
zijn worden blijven blijken lijken schijnen heten dunken voorkomen.

Asl deze woorden worden gebruikt met de betekenis van zijn, worden of blijven, dan kunnen het koppelwerkwoorden zijn. Het onderwerp van de zin is dan altijd gekoppeld aan een eigenschap.

We zeggen wel: Het onderwerp is iets, je weet niet wat hij doet of waar hij is.

Mijn nieuwe vriendin is het knapste meisje van de klas.
Mijn vader is net directeur van het circus geworden.

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Link

Slide 16 - Link

Welke woordsoorten ken je nu?
znw
lw
bnw
vz
hww
zww
kww
pvnw 
bvnw
wnd vnw
wig vnw
Benoem de woorden in onderstaande zinnen:


Heeft hij zich vergist in zijn beste vriend?

Je bent elkaar trouw tot het einde.



Slide 17 - Tekstslide

Wat ga je nu nog leren?

- vragend voornaamwoord
- aanwijzend voornaamwoord
- betrekkelijk voornaamwoord
- onbepaald voornaamwoord

Slide 18 - Tekstslide

woordsoorten: 

vragend, betrekkelijk, aanwijzend, onbepaald
In de chat staat een document met alle woordsoorten die je moet kunnen herkennen. Je kunt dit document het beste printen en erbij houden. Dat maakt het leven een stuk makkelijker.

Slide 19 - Tekstslide

vragend voornaamwoorden

Slide 20 - Woordweb

vvnw
We kennen slechts 4 vragend voornaamwoorden:

wie/wat/welke/wat voor (een)

Andere vraagwoorden zijn bijwoorden (wanneer, waarom, waar, enz)


Vragend voornaamwoorden staan meestal in vraagzinnen, maar komen ook voor als verborgen vragen.

Vb: Ik weet niet wat zij aan het doen is. 

Verborgen vraag: Wat is zij aan het doen?

Slide 21 - Tekstslide


Wat is het vragend voornaamwoord in de volgende zin:

Jij kunt me vast wel vertellen wie mijn laptop
uit het raam heeft gesmeten.


Slide 22 - Open vraag

Aanwijzend voornaamwoorden:

die, dit, deze, dat
Aanwijzend voornaamwoorden wijzen meestal vooruit naar woorden, zinnen of gebeurtenissen in de tekst. Soms staat zo'n gebeurtenis er helemaal niet bij.

Vb: Ik vind dat echt niet leuk.

Je kunt hierbij wijzen.

Slide 23 - Tekstslide

Wat zijn de aanwijzend voornaamwoord in de volgende zin:

Die man wil dat kind in deze kist proppen,
terwijl het ook in dit blikje past.


Slide 24 - Open vraag

Betrekkelijk voornaamwoorden: die, dat, wie wat
Deze woorden wijzen niet vooruit, maar terug. Meestal naar een wword(groep), zin of iets vaags.

De jongen die daar staat is briljant. Alles wat hij zegt, is waar. 

Wij mogen straks weer naar school, wat best spannend is.

Slide 25 - Tekstslide

Wat zijn de betrekkelijk voornaamwoorden in de volgende zinnen?

De fietsje, dat snel kapot ging, bleek van haar vader te
zijn, die daarom niet blij was. Niets wat we probeerden
om hem op te fleuren, hielp.

Slide 26 - Open vraag

Onbepaalde voornaamwoorden
Onbepaalde voornaamwoorden verwijzen naar groepen, personen of zaken die je niet concreet kunt of wilt beschrijven.

Denk aan:

alles, niemand, iemand, niets, iets, het (het regent), wat (Ik weet wat!), iedereen, men, enz. 


Slide 27 - Tekstslide

In de volgende dia wordt je naar een website geleid. Je kunt daar uitleg krijgen en oefenen met de verschillende voornaamwoorden. Kies vier oefeningen die jou nuttig lijken.

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Link

Bijna klaar .... 
voegwoorden - woorden waarmee je samengestelde zinnen kunt maken.

Slide 30 - Tekstslide

0

Slide 31 - Video

Slide 32 - Link

Slide 33 - Link

Vandaag ronden we af
Wat moet je allemaal weten?

zinsdelen: wwg/nwg-ond-lv-mv-bwb
delen van zinsdelen: bijv. bepaling/bijstelling
woordsoorten: znw-lw-bnw-vz-zww/hww/kww-pvnw/bvnw/wnd vnw/wig vnw/avnw/vvnw/ovnw/betr. vnw/ovw/nvw

Slide 34 - Tekstslide

Volgende week woensdag
formatieve grammaticatoets, blok 3, 4 en 5


Slide 35 - Tekstslide

Maak de volgende opdrachten:
blok 5, grammatica, opdracht 7, 8 en 11
blok 6, grammatica, opdracht 4 en 5

Slide 36 - Tekstslide