§ 1.3 Overbrengingen -deel 2

1.3 Overbrengingen - deel 2
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Onderdelen in deze les

1.3 Overbrengingen - deel 2

Slide 1 - Tekstslide

§ 1.3 Overbrengingen
Andere overbrengingen


Tandwieloverbrenging.
Als het rechter tandwiel 2x zo klein is als het linker tandwiel dan is de kracht van het linker tandwiel 2x zo groot.
Je moet het rechter tandwiel wel 2x ronddraaien.

Slide 2 - Tekstslide

§ 1.3 Overbrengingen
Overbrenging bij een fiets: voor- en achtertandwielen met een ketting.
 


De ketting geeft de beweging van het voorste tandwiel door aan het achterste tandwiel. 

Slide 3 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen

Slide 4 - Tekstslide

§ 1.3 Overbrengingen

Slide 5 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen
Trapper en voortandwiel werken als
een hefboom Hoe kleiner het voortandwiel hoe groter de kracht op de ketting.
 
Hoe kleiner de afgelegde afstand. 
  

Slide 6 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen
Berekening (span)kracht ketting:
Ft = 500N rt = 0,15m
Fk = ? rk = 0,08cm
500 x 0,15 = Fk x 0,08
Fketting = 937,5 N  
Hoe kleiner de afgelegde afstand. 
  

Slide 7 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen
De (span)kracht van de ketting op het voorste tandwiel is net zo groot als op het achterste tandwiel.
  

  

Slide 8 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen

Slide 9 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen
Berekening kracht op de weg:
Fketting = 937,5 rketting = 0,04m
Fop de weg = ? rop de weg= 0,36m
937,5 x 0,04 = Fopdeweg x 0,36
Fopdeweg = 104,2N 
  
  

  
Ftrapper = 500N
Fopdeweg = 104,2N
Waarom is de kracht
veel kleiner ???

Slide 10 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen

Slide 11 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen

Slide 12 - Tekstslide

1.3 Overbrengingen
Bij een overbrenging kun je met een kleine spierkracht een grote werkkracht realiseren.
Wat je wint aan kracht verlies je aan afstand.


Slide 13 - Tekstslide


tandwiel 3 draait in één seconde 1x rechtsom.
Tandwiel 2 draait dan
A
in 1 seconde sneller rechtsom
B
in 1 seconde langzamer rechtsom
C
in 1 seconde langzamer linksom
D
in 1 seconde sneller linksom

Slide 14 - Quizvraag


tandwiel 1 draait in één seconde 1x rechtsom.
Tandwiel 2 draait dan
A
in 1 seconde sneller rechtsom
B
in 1 seconde langzamer rechtsom
C
in 1 seconde langzamer linksom
D
in 1 seconde sneller linksom

Slide 15 - Quizvraag

Wat voor soort overbrenging zie je hier?
A
windas
B
tandwielen
C
riem
D
wormwiel

Slide 16 - Quizvraag

Als je een kleine tandwiel aan een grote tandwiel vastmaakt, dan..
A
versneld de beweging
B
vertraagd de beweging
C
blijft de beweging constant

Slide 17 - Quizvraag

Hiernaast zie je een grote set
tandwielen. Wanneer het laatste
tandwiel rechtsom draait zal het eerste
tandwiel

A
rechtsom draaien
B
linksom draaien
C
niet draaien
D
Dat kun je niet uit de tekening aflezen.

Slide 18 - Quizvraag

Bij een tandwieloverbrenging op een fiets is het tandwiel bij de trappers.................
dan het achtertandwiel.
A
groter
B
kleiner
C
even groot

Slide 19 - Quizvraag

Geef met een berekening aan hoe vaak het kleinste tandwiel is rond gegaan als de grootste 3 x is rondgedraaid.

Slide 20 - Open vraag

Welk tandwiel draait sneller?
A
B
C
A
oranje
B
groen
C
Grijs
D
even snel

Slide 21 - Quizvraag


De trapper zit 15 cm van de trapas (arm r1),
de straal van het tandwiel is 10cm (arm r2), 
de uitgeoefende kracht op de trapper is 400N(F1). Bereken de spankracht op de ketting

Slide 22 - Open vraag

Huiswerk
Lees de tekst van paragraaf 1.3 vanaf tandwielen t/m samenvatting
Maak de resterende vragen van paragraaf 1.3

Slide 23 - Tekstslide