1. Introductie, vocht en elektrolyten, de nieren

Introductie, vocht en elektrolyten, de nieren

1 / 14
volgende
Slide 1: Slide
newEditorVerpleging en verzorgingMBOStudiejaar 3

In deze les zitten 14 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Introductie, vocht en elektrolyten, de nieren

Anatomie, fysiologie en pathologie

Deze periode...

Opstart

Maak 4 groepjes

  1. Loop naar een station en maak de opdracht.

  1. Wissel door.

  1. Bij het volgende station:

Bekijk wat je klasgenoten hebben opgeschreven.

Vul aan;

  • Zet een vinkje bij wat klopt

  • Een vraagteken als je er niet zeker van bent

  • Vul aan als je nog meer informatie hebt

    • Corrigeren van anderen mag, maar volledig doorstrepen niet!


Homeostase

Het lichaam probeert de omstandigheden in het lichaam binnen bepaalde grenzen stabiel te houden.

Denk aan:

  • Hoeveelheid vocht

  • Concentratie van elektrolyten zoals;

    • Natrium (Na+)

    • Kalium (K+)

    • Chloride (Cl-)

  • Zuurgraad van lichaamsvloeistoffen



Homeostase (vervolg)

Het verplaatsen van stoffen gaat via het celmembraan (dat is half doorlaatbaar en vormt daarmee een barrière voor bepaalde stoffen) en verloopt in verschillende processen.


  1. Actief transport: Werkt als een soort pomp en kan tegen een concentratieverschil in gepompt worden. Dit kost de cel energie omdat die aan het werk moet om de stof in of uit te pompen.


  1. Passief transport - Hier bestaan 2 vormen van.
    Diffusie houdt in dat gassen en opgeloste stoffen zich verplaatsen van een ruimte met een hoge concentratie naar een ruimte met een lage concentratie. Dat gebeurt als de scheidingswand doorlaatbaar is voor die stof. Dit kan met vloeistoffen, maar ook met gassen.
    Osmose: Wanneer het celmembraan wel water doorlaat, maar bijv geen zout of suiker, treedt osmose op. Het water verplaatst zich naar de ruimte met de hoogste concentratie opgeloste stof. Die stof heeft een aanzuigende werking, alsof het een spons is.

Waar gaat het heen?

Vragen voor situatie 1 en 2:

  1. Wat verandert er?

  2. Welke stof(fen) verplaatst zich?

  3. Waar beweegt de stof/stoffen naartoe?

  4. Is hier sprake van diffusie, osmose of actief transport? Leg uit waarom

  • Situatie 1

Een zorgvrager heeft een sterk verhoogde glucosewaarde in het bloed.


  • Situatie 2

Een patiënt is kortademig. In de longblaasjes komt zuurstofrijke lucht binnen, terwijl het aankomende bloed relatief weinig zuurstof bevat.


Vragen voor situatie 3 en 4:

  1. Wat verliest deze persoon?

  2. Is er sprake van een positieve of negatieve vochtbalans?

  3. Wat gebeurt er waarschijnlijk met het bloedvolume?

  4. Hoe probeert het lichaam dit te herstellen?

  • Situatie 3

Een student sport een uur intensief buiten bij 30 °C en drinkt tijdens het sporten niets.


  • Situatie 4

Een oudere patiënt heeft sinds twee dagen diarree en drinkt nauwelijks. Hij is duizelig bij het opstaan en plast weinig.

Vochtbalans

Homeostase van vocht = vochtbalans

Wat erin komt, moet er ook weer uit.

Wat eruit gaat, moet er ook weer in.











Positieve vochtbalans - negatieve vochtbalans

PAUZE

Over 15 minuten terug in het lokaal

De nieren

De nefronen

ADH = anti-diuretisch hormoon

Regeling elektrolyten en PH - RAAS

Bloeddrukregulatie

Volgende week...

Starten we om 9 uur!


Hebben we het over...

Herhaling onderwerpen van vandaag

Urinewegen 

Observeren van de vochtbalans, nier- en blaasfunctie