cross

1 Klimaat en landschap

1 / 39
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 39 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Wat gaan we vandaag leren?
In een groot land als de VS zijn er enorme verschillen in het klimaat. Hoe verklaar je die verschillen? En welke landschappen komen er voor?

Leerdoel: Welke temperatuur- en neerslagfactoren bepalen het klimaat en het landschap in de VS?

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Zet de eerste letter van het köppen systeem in de legenda
A
B
C
D
E

Slide 9 - Sleepvraag

Zet de juiste letter van Köppen bij het juiste klimaat.
Droog klimaat
Koud klimaat
Landklimaat
Zeeklimaat
Tropisch klimaat
A
B
C
D
E

Slide 10 - Sleepvraag

Bij welke Letters van het Systeem van Köppen horen deze klimaten?
A: Tropische klimaten
B: Droge klimaten
C: Gematigde klimaten
D: Continentale klimaten
E: Polaire klimaten
Steppeklimaat
woestijnklimaat
Meditteraan klimaat
Zee klimaat
Hooggebergte klimaat

Slide 11 - Sleepvraag

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Tekstslide

Slide 14 - Video

Wat is de breedteligging?
A
De afstand tot de noordpool
B
De afstand tot de evenaar
C
De afstand tussen twee breedtepunten
D
De ligging ten opzichte van een breedtelijn

Slide 15 - Quizvraag

breedteligging
A
In het noordoosten van de V.S. zorgt dit voor weinig invloed van zee op het klimaat.
B
Dit zorgt aan de noordwestkust van de V.S. voor hogere temperaturen.
C
Hierdoor kan warme wind uit het zuiden diep het binnenland van de V.S. indringen.
D
Hierdoor is er een groot temperatuurverschil tussen Florida en Alaska

Slide 16 - Quizvraag

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Slide 23 - Tekstslide

Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Slide 31 - Tekstslide

Sleep de vormen van neerslag naar de juiste plek.
Stijgingsneerslag
Stuwingsneerslag
Frontale neerslag

Slide 32 - Sleepvraag

Jong gebergte
Oud gebergte
Appalachen
Rocky Mountains

Slide 33 - Sleepvraag

Seattle
New York
Rocky Mountains
Rio Grande
Sierra Nevada
Golf van Mexico
Detroit

Slide 34 - Sleepvraag

Appalachen
kustvlakte
Rocky Mountains

Slide 35 - Sleepvraag

Succescriteria
Wat moet je kennen en kunnen?
  • wat de invloed is van de breedteligging op de temperatuur in de VS.
  • wat de invloed is van aan- en aflandige winden op de temperatuur en de neerslag in de VS.
  • wat de invloed is van de ligging van gebergten op de temperatuur en de neerslag in de VS.
  • welke klimaten en landschappen voorkomen in de VS.
  • de ingevulde W2 t/m W5.
  • de antwoorden op vraag 1d en de opdrachten 3 t/m 6.

Basisboek
  • B48 - B53 - B55 - B56 - B57 - B58 - B60 - B73 - B74 - B21

Slide 36 - Tekstslide

Begrippen
Breedteligging:                    De afstand van een plaats tot de evenaar.
Jaaramplitude:                      Het verschil tussen de gemiddelde temperatuur in de warmste en de koudste maand van het jaar.
Aanlandige wind:                 Wind vanaf zee.
Zeeklimaat:                           Klimaat met een matigende invloed van de zee op de temperatuur ('s zomers koeler, 's winters zachter en                                                  het hele jaar neerslag.
Middellandse Zeeklimaat:    Zeeklimaat met hete, droge zomers en vochtige, zachte winters.
Landklimaat:                         Klimaat met in de koudste maand een gemiddelde dagtemperatuur die lager is dan -30C en in de warmste 
                                              maand hoger dan +10oC.
Aflandige wind:                    Wind vanaf land.
Loefzijde:                              De windkant van een gebergte met veel neerslag.
Stuwingsregen:                      Neerslag die ontstaat door stijgende lucht tegen een gebergte.
Lijzijde:                                 De kant van de berg die uit de wind ligt; er valt weinig neerslag.
Regenschaduw:                     De lijzijde van een berg, waar de dalende en warme lucht weinig of geen neerslag brengt.

Slide 37 - Tekstslide

Begrippen
Hoogvlakten:             Vlak of zacht golvend gebied dat meer dan 500m hoog ligt.
Woestijnklimaat:        Droog klimaat waarbij in een jaar minder dan 250mm neerslag valt.
Steppeklimaat:           Droog klimaat met 250mm tot 500 mm neerslag per jaar.
Extensieve veeteelt:   Veeteelt met weinig vee per hectare.
Laagvlakte:                Gebied zonder hoogteverschillen dat lager ligt dan 500m.
Hooggebergte:           Gebied met bergen die hoger zijn dan 1.500m.
Jonggebergte:             Gebergte met hoge toppen, scherpe bergkammen en diepe dalen; minder dan 65 miljoen jaar oud.
Middelgebergte:         Gebied waar de meeste bergtoppen tussen de 500m en 1500m hoog zijn.
Oud gebergte:             Gebergte met afgeronde toppen en ondiepe dalen; ouder dan 65 miljoen jaar.

Slide 38 - Tekstslide

Aan de slag
Je mag aan de slag met de opdrachten van §1.1 in Learnbeat

Slide 39 - Tekstslide