DP3 H3 paragraaf 3.2

1 / 22
volgende
Slide 1: Tekstslide
Dienstverlening en ProductenMiddelbare schoolvmbo gLeerjaar 4

In deze les zitten 22 slides, met tekstslides en 1 video.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

✍️ Startopdracht in stilte (5 minuten)

LEES ONDERSTAANDE GROEPSAPP

Daan: Hoe laat begint training?
Milan: Volgens mij 19.00.
Lieke: Nee, trainer zei gisteren 19.30.
Daan: Waar staat dat dan?
Lieke: In de teamapp van gisteren om 17.42 uur.
Milan: Gevonden. Het is inderdaad 19.30.


Hoe laat begint de training?
Wie gaf eerst verkeerde informatie?
Waar kun je controleren wat klopt?

Tijd: 5 minuten.

Dia 3 – Even terug
Vul aan:

Promotie is...

een product, dienst of activiteit onder de aandacht brengen.

Noem één promotieactiviteit van vorige les.

Bijvoorbeeld:

kortingsactie – winactie – flyeractie – nieuwsbrief – socialmediapost

Dia 4 – Vandaag
Aan het einde van de les kan ik:
verschillende promotiedoelen noemen;
uitleggen wat AIDA betekent;
AIDA herkennen;
AIDA zelf gebruiken.
Dia 5 – Waarom koop jij iets?
Denk aan je laatste aankoop.

Waarom wilde je het hebben?

Bijvoorbeeld:

korting;
zag er goed uit;
iemand anders had het;
reclame gezien;
ik had het nodig;
goede reviews;
merk;
aanbieding.

Geen goed of fout.

Haal enkele reacties op.

Dia 6 – Doelen van promotie

Een bedrijf kan promotie gebruiken om:

1. BEKENDHEID TE VERGROTEN

Meer mensen kennen het bedrijf/product.

2. INFORMATIE TE GEVEN

Vertellen wat iets is of kan.

3. IETS AANTREKKELIJK TE MAKEN

Laten zien waarom het leuk of handig is.

4. VERKOOP TE STIMULEREN

Zorgen dat mensen kopen.

5. KLANTEN TE OVERTUIGEN

Laten zien waarom juist dit product een goede keuze is.

Dia 7 – Welk doel?
Situatie 1

Een nieuwe kledingwinkel opent en hangt overal posters met het logo.

Doel?

→ Bekendheid vergroten

Situatie 2

“Deze week: tweede paar schoenen 50% korting!”

→ Verkoop stimuleren

Situatie 3

Een filmpje laat zien waarom een bepaalde laptop sneller is dan andere laptops.

→ Informeren/overtuigen

AIDA
Dia 8 – Een geheim van reclame
AIDA

AIDA helpt om promotie zo op te bouwen dat mensen:

eerst kijken → geïnteresseerd raken → iets willen → actie ondernemen.

Dia 9 – A = Attention
A – ATTENTION
AANDACHT

Zorg dat iemand stopt met scrollen of kijken.

Dat kan met:

opvallende titel;
afbeelding;
vraag;
opvallende kleur.
Voorbeeld

“Altijd een lege batterij?”

Dia 10 – I = Interest
I – INTEREST
INTERESSE

Maak iemand nieuwsgierig.

Vertel bijvoorbeeld:

voordelen;
eigenschappen;
waarom het interessant is.
Voorbeeld

“Deze powerbank laadt je telefoon binnen 30 minuten voor 50% op.”

Dia 11 – D = Desire
D – DESIRE
VERLANGEN

Zorg dat de klant denkt:

DIT WIL IK!

Benadruk bijvoorbeeld:

gemak;
kwaliteit;
voordeel;
beleving.
Voorbeeld

“Nooit meer met een lege telefoon naar huis.”

Dia 12 – A = Action
A – ACTION
ACTIE

Vertel wat iemand nu moet doen.

Bijvoorbeeld:

Koop nu!
Meld je aan!
Bestel vandaag!
Kom langs!

Dia 13 – AIDA in één oogopslag
A

Aandacht trekken

↓

I

Interesse wekken

↓

D

Zorgen dat iemand het wil

↓

A

Aanzetten tot actie

Onthouden:

KIJK → INTERESSE → WIL → DOE

Dia 14 – Samen oefenen
Reclame voor een nieuwe milkshake

Welke AIDA-stap is dit?

“Proef onze nieuwe Oreo-milkshake!”

→ Attention/Interest

“Extra romig met echte Oreo-stukjes.”

→ Interest

“Jouw perfecte ijskoude break.”

→ Desire

“Alleen deze week: haal hem nu voor €2,50.”

→ Action

Dia 15 – Boek
Aan de slag

Maak:

opdracht 8 t/m 10

Eerst:

lezen + kernwoorden markeren

Markeer:

promotiedoel – bekendheid – verkoop stimuleren – overtuigen – AIDA – Attention – Interest – Desire – Action

ENERGIZER
Dia 16 – AIDA-HOEKEN
STA OP!

Vier plekken in het lokaal zijn:

A – Attention
I – Interest
D – Desire
A – Action

Ik lees een reclameszin voor.

Loop naar de juiste plek.

Voorbeelden

“Bestel vóór 20.00 uur!”
→ Action

“Wist je dat deze sneaker maar 180 gram weegt?”
→ Interest

“Nooit meer natte voeten.”
→ Desire

“STOP! Alleen vandaag 50% korting!”
→ Attention/Action

Bij twijfel: laat leerlingen hun keuze verdedigen.

Dia 17 – Maak deze reclame beter
Slechte reclame:

“Wij verkopen rugzakken. Ze zijn verkrijgbaar in verschillende kleuren. Kom maar kijken.”

Werk 2 minuten in tweetallen.

Maak hem beter met AIDA.

Denk aan:

Aandacht
Interesse
Verlangen
Actie

Laat twee duo's hun versie voordragen.

Dia 18 – Praktijkopdracht 6
PRAKTIJK

Ga naar blz. 241 – Praktijkopdracht 6.

Voer de opdracht uit volgens het boek.

Gebruik vandaag bewust:
AIDA

Controleer tijdens het werken:

Hebben we aandacht?
Maken we nieuwsgierig?
Wordt het aantrekkelijk?
Is duidelijk wat de klant moet doen?

Dia 19 – Reflectie

Kijk naar jullie eigen werk.

Geef jezelf per AIDA-stap een punt:

A – Attention ⭐ / ❌
I – Interest ⭐ / ❌
D – Desire ⭐ / ❌
A – Action ⭐ / ❌

Welke stap kan nog beter?

Verbeter die stap.

Dia 20 – Exit ticket
AIDA-CHECK

Je maakt reclame voor een nieuwe snack in de schoolkantine.

Schrijf bij iedere letter één korte zin:

A – Hoe trek je aandacht?
I – Hoe maak je nieuwsgierig?
D – Waarom moet iemand hem willen?
A – Welke actie moet iemand ondernemen?

LES 10 – §3.3 Promotiemiddelen + opdrachten §3.4

Bij deze les is één bronbeperking belangrijk: jouw prompt schrijft §3.3 en §3.4, opdrachten 11, 12, 14, 16 en 17 + praktijkopdracht 9 op blz. 245 voor. De aangeleverde PowerPoint bevat inhoudelijke dia's voor §3.3 over promotiemiddelen, online/offline promotie, zeven beoordelingspunten en verbetervoorstellen, maar geen inhoudelijke §3.4-dia's. Daarom vul ik §3.4 niet zelf inhoudelijk in; de opgegeven boekopdrachten blijven wel in de les staan.

Lesdoelen

Aan het einde van de les kan de leerling:

uitleggen wat een promotiemiddel is;
het verschil herkennen tussen online en offline promotie;
promotie beoordelen aan de hand van belangrijke punten;
minimaal één bruikbaar verbetervoorstel doen;
een verbetering koppelen aan doel, doelgroep, product en budget.
Lesverloop
Tijd Fase Activiteit
0–5 Startactiviteit Burgerschap – groepskeuze
5–10 Lesstart Lesdoelen
10–15 Herhalen AIDA
15–20 Voorkennis Online of offline?
20–30 Instructie Promotiemiddelen
30–40 Begeleid oefenen Middel/activiteit/media-uiting
40–52 Boek Opdracht 11, 12 en 14
52–58 Energizer Online/offline battle
58–68 Instructie Promotie beoordelen
68–76 Begeleid oefenen Reclame-keuring
76–86 Boek Opdracht 16 en 17
86–94 Praktijk Praktijkopdracht 9
94–97 Reflectie Eén verbetering
97–100 Exit ticket Promotiedokter
LessonUp les 10
Dia 1 – Start
§3.3 PROMOTIEMIDDELEN

Vandaag word jij:

PROMOTIE-EXPERT

Je gaat niet alleen kijken wat een bedrijf doet.

Je gaat bepalen:

Werkt het eigenlijk wel?

Dia 2 – Startactiviteit BURGERSCHAP
WAT ZOU JIJ DOEN?

Een leerling maakt in de groepsapp een gemene grap over een klasgenoot.

Veel mensen sturen lachende emoji's.

Kies:

A. Ik reageer niet.
B. Ik stuur ook een emoji.
C. Ik zeg dat het niet grappig is.
D. Ik stuur de leerling privé een bericht.

Schrijf:

Welke keuze maak jij en waarom?

Er is niet maar één goed antwoord.

Tijd: 5 minuten.

Dia 3 – Even terug
AIDA

Waar staan de letters voor?

A – Attention
I – Interest
D – Desire
A – Action

Extra:

Welke stap betekent:

“Koop hem vandaag!”

Action

Dia 4 – Lesdoelen
Aan het einde van de les kan ik:
uitleggen wat een promotiemiddel is;
online en offline promotie herkennen;
promotie beoordelen;
een verbetervoorstel doen.
Dia 5 – Online of offline?

Wat zie jij vaker?

ONLINE

TikTok – Instagram – YouTube – website – influencer

of

OFFLINE

poster – flyer – winkel – reclamebord – etalage

Laat leerlingen kiezen met hand opsteken.

Vraag

Betekent vaker automatisch dat het ook beter is?

Nee.

Dia 6 – Wat is een promotiemiddel?
PROMOTIEMIDDEL

Een hulpmiddel waarmee je promotie uitvoert.

Het helpt om je boodschap bij je doelgroep te krijgen.

Voorbeelden:

poster;
flyer;
socialmediapost;
website;
nieuwsbrief;
etalage;
demonstratie.
Dia 7 – Vier begrippen

Deze lijken op elkaar.

PROMOTIEACTIVITEIT

De actie die je uitvoert

Bijvoorbeeld: een winactie organiseren.

PROMOTIEMIDDEL

Het hulpmiddel dat je gebruikt

Bijvoorbeeld: Instagram.

COMMUNICATIEMIDDEL

Het middel waarmee je communiceert

MEDIA-UITING

De boodschap die mensen zien of lezen.

Dia 8 – Samen oefenen
Situatie

Een kledingwinkel organiseert een winactie.

Op Instagram staat:

“Win €100 shoptegoed! Volg ons en tag twee vrienden.”

Wat is...

Promotieactiviteit?
→ winactie

Promotiemiddel?
→ social media/Instagram

Media-uiting?
→ de Instagram-post met de boodschap

Dia 9 – Offline promotie
OFFLINE

Promotie op een fysieke plaats.

Bijvoorbeeld:

posters;
flyers;
folders;
reclameborden;
etalages;
demonstraties;
acties in de winkel.
Voordelen

lokaal zichtbaar – tastbaar – persoonlijk

Dia 10 – Online promotie
ONLINE

Bijvoorbeeld:

socialmediaposts;
websites;
online advertenties;
nieuwsbrieven;
influencers.
Voordelen

snel – groot bereik – makkelijk delen

Belangrijk

Bedrijven combineren vaak:

ONLINE + OFFLINE
Dia 11 – Boek

Maak:

opdracht 11, 12 en 14

Werkwijze

Lees → markeer → maak

Kernwoorden:

promotiemiddel – online – offline – promotieactiviteit – media-uiting

ENERGIZER
Dia 12 – ONLINE vs. OFFLINE BATTLE
STA OP!

Links = ONLINE
Rechts = OFFLINE

Ik noem een situatie.

Kies waar jij voor zou gaan.

Situaties

Nieuwe snackbar voor jongeren
Rommelmarkt in de wijk
Nieuw videogame
Kerstmarkt voor buurtbewoners
Open dag van school
Nieuwe sneaker

Na iedere keuze:

Waarom?

Bij de open dag mag het antwoord ook zijn:

ALLEBEI
PROMOTIE BEOORDELEN
Dia 13 – Was de promotie eigenlijk goed?

Je kunt promotie beoordelen op 7 punten.

1. DOEL

Is bereikt wat het bedrijf wilde?

2. DOELGROEP

Bereik je de juiste mensen?

3. PROMOTIEMIDDEL

Is het goede middel gekozen?

Dia 14 – Nog 4 punten
4. VORMGEVING EN UITSTRALING

Is het aantrekkelijk en duidelijk?

5. PLAATS EN MOMENT

Is de promotie op de goede plek en het goede moment?

6. RESULTATEN

Bijvoorbeeld:

bezoekers;
reacties;
verkopen.
7. KOSTEN

Was het het geld waard?

Dia 15 – Niet uit je hoofd stampen

Gebruik bij beoordelen vooral deze vragen:

WERKT HET?

Bereikt het de juiste mensen?
Valt het op?
Is de boodschap duidelijk?
Is het goede middel gekozen?
Levert het iets op?
Is het zijn geld waard?

Dia 16 – Reclame-keuring
Situatie

Een dure kledingwinkel wil volwassenen met een hoog inkomen bereiken.

De winkel maakt een felgekleurde flyer vol emoji's en deelt deze uit op een middelbare school.

Bespreek met je buur:

Wat gaat goed?
Wat gaat niet goed?
Wat zou jij veranderen?

Mogelijke verbeteringen
andere doelgroep/locatie;
andere uitstraling;
ander promotiemiddel;
andere vormgeving.
Dia 17 – Verbetervoorstellen

Een goed verbetervoorstel zegt niet alleen:

“Het moet mooier.”

Dat is te vaag.

Beter:

“Gebruik minder tekst en één duidelijke afbeelding, zodat de boodschap sneller opvalt.”

Of:

“Gebruik Instagram in plaats van alleen flyers, omdat de doelgroep daar beter te bereiken is.”

Een verbetervoorstel moet passen bij:

doel – doelgroep – product – budget.

Dia 18 – Boek

Maak nu:

opdracht 16 en 17

Werk zelfstandig.

Klaar?

Controleer één antwoord:

Heb ik ook uitgelegd WAAROM?

Dia 19 – Praktijkopdracht 9
PRAKTIJK

Ga naar:

blz. 245 – Praktijkopdracht 9

Voer de opdracht uit volgens de instructies in je boek.

Denk tijdens het werken steeds aan:

DOEL
DOELGROEP
PROMOTIEMIDDEL
UITSTRALING

Dia 20 – Reflectie
ÉÉN DING BETER

Kijk naar het werk dat je hebt gemaakt.

Schrijf één concrete verbetering:

“Ik zou … veranderen, omdat …”

Niet:

“Het moet mooier.”

Wel:

“Ik zou de titel groter maken, zodat de boodschap sneller opvalt.”

Dia 21 – Exit ticket: Promotiedokter
DE PROMOTIE WERKT NIET...

Een winkel heeft 1.000 flyers laten drukken voor jongeren van 14–18 jaar.

De flyers liggen alleen achter in de winkel.

Bijna niemand neemt er één mee.

Jij bent de promotiedokter.

Schrijf:

1. Wat is het probleem?
2. Wat zou jij veranderen?
3. Waarom werkt jouw oplossing waarschijnlijk beter?

Overzicht van de leerlijn

Met deze opbouw loopt hoofdstuk 3 logisch door:

Les 8

Wat is promotie?
→ Wat kan een bedrijf doen om aandacht te krijgen?

Les 9

Wat wil je met promotie bereiken?
→ Hoe bouw je een overtuigende boodschap op met AIDA?

Les 10

Waarmee voer je promotie uit en werkt het?
→ Beoordelen en verbeteren.

Daarmee voorkom je dat de begrippen promotieactiviteit, promotiedoel en promotiemiddel voor de leerlingen één grote woordenbrij worden. Iedere les voegt één nieuwe denkstap toe en laat die daarna praktisch toepassen. Dat sluit ook aan op jouw wens om de instructie kort te houden en de leerlingen vooral zelf te laten werken.
Vragen
Hoe laat begint de training?
Wie gaf eerst verkeerde informatie?
Waar kun je controleren wat klopt?

Slide 2 - Tekstslide

Docent

Kort ophalen. Mogelijke antwoorden:

te veel tekst;
niet geoefend;
voorlezen van het scherm;
presentatie beter voorbereiden;
duidelijke dia's maken;
alleen kernwoorden gebruiken.

Hiermee activeer je meteen het onderwerp zonder eerst theorie te geven.
Lesplanning
  1. Startactiviteit
2. Korte terugblik
3. Media-uitingen
4. Opdrachten in het boek
5. Praktijkopdrachten
6. Exit ticket

Vandaag

HERHALEN → LEREN → OEFENEN → DOEN → TERUGKIJKEN




Slide 3 - Tekstslide

“Vorige les ging het over presenteren. Vandaag gaan we een stap verder. Je krijgt niet altijd vijf of tien minuten om iets uit te leggen. Soms moet je iemand in heel korte tijd enthousiast maken.”
🎯Leerdoelen paragraaf 3.2

HOE KRIJG JE IEMAND ZOVER DAT DIE IETS WIL?

Aan het einde van de les kan ik...

  • verschillende promotiedoelen noemen;
  • uitleggen hoe promotie kan helpen om iets te verkopen;
  • uitleggen waar AIDA voor staat;
  • AIDA herkennen in een eenvoudige reclame;
  • AIDA gebruiken bij een eigen promotie-uiting.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Even terug
Vul aan:

  • Promotie is...
  • Noem één promotieactiviteit van vorige les.

Slide 5 - Tekstslide

Vul aan:

Promotie is...

een product, dienst of activiteit onder de aandacht brengen.

Noem één promotieactiviteit van vorige les.

Bijvoorbeeld:

kortingsactie – winactie – flyeractie – nieuwsbrief – socialmediapost
Waarom koop jij iets?
Denk aan je laatste aankoop. Waarom wilde je het hebben?

Bijvoorbeeld:
korting;
zag er goed uit;
iemand anders had het;
reclame gezien;
ik had het nodig;
goede reviews;
merk;
aanbieding.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Doelen van promotie
Een bedrijf kan promotie gebruiken om:

1. BEKENDHEID TE VERGROTEN - Meer mensen kennen het bedrijf/product.
2. INFORMATIE TE GEVEN - Vertellen wat iets is of kan.
3. IETS AANTREKKELIJK TE MAKEN - Laten zien waarom het leuk of handig is.
4. VERKOOP TE STIMULEREN - Zorgen dat mensen kopen.
5. KLANTEN TE OVERTUIGEN - Laten zien waarom juist dit product een goede keuze is.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welk doel?
Situatie 1
Een nieuwe kledingwinkel opent en hangt overal posters met het logo. Doel?

Situatie 2
“Deze week: tweede paar schoenen 50% korting!” Doel?

Situatie 3
Een filmpje laat zien waarom een bepaalde laptop sneller is dan andere laptops. Doel? 


Slide 8 - Tekstslide

Welk doel?
Situatie 1

Een nieuwe kledingwinkel opent en hangt overal posters met het logo.

Doel?

→ Bekendheid vergroten

Situatie 2

“Deze week: tweede paar schoenen 50% korting!”

→ Verkoop stimuleren

Situatie 3

Een filmpje laat zien waarom een bepaalde laptop sneller is dan andere laptops.

→ Informeren/overtuigen

Slide 9 - Video

Deze slide heeft geen instructies

AIDA
 Een geheim van reclame

AIDA helpt om promotie zo op te bouwen dat mensen:

eerst kijken → geïnteresseerd raken → iets willen → actie ondernemen.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A – ATTENTION
AANDACHT (AIDA)
Zorg dat iemand stopt met scrollen of kijken. 

Dat kan met:
  • opvallende titel;
  • afbeelding;
  • vraag;
  • opvallende kleur.

Voorbeeld: “Altijd een lege batterij?”

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

I – INTEREST
INTERESSE (AIDA)
Maak iemand nieuwsgierig.

Vertel bijvoorbeeld:
  • voordelen;
  • eigenschappen;
  • waarom het interessant is.

Voorbeeld: “Deze powerbank laadt je telefoon binnen 30 minuten voor 50% op.”

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

D – DESIRE
VERLANGEN (AIDA)

Zorg dat de klant denkt: DIT WIL IK!

Benadruk bijvoorbeeld:
  • gemak;
  • kwaliteit;
  • voordeel;
  • beleving.

Voorbeeld “Nooit meer met een lege telefoon naar huis.”

Slide 13 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

A – ACTION
ACTIE (AIDA)
Vertel wat iemand nu moet doen.

Bijvoorbeeld:
  • Koop nu!
  • Meld je aan!
  • Bestel vandaag!
  • Kom langs!

Slide 14 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

AIDA in één oogopslag
A -> Aandacht trekken
↓
I -> Interesse wekken
↓
D -> Zorgen dat iemand het wil
↓
A ->  Aanzetten tot actie

Onthouden: KIJK → INTERESSE → WIL → DOE

Slide 15 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Samen oefenen
Reclame voor een nieuwe milkshake

Welke AIDA-stap is dit?
1. “Proef onze nieuwe Oreo-milkshake!”
2. “Extra romig met echte Oreo-stukjes.”
3. “Jouw perfecte ijskoude break.”
4. “Alleen deze week: haal hem nu voor €2,50.”

Slide 16 - Tekstslide

Samen oefenen
Reclame voor een nieuwe milkshake

Welke AIDA-stap is dit?

“Proef onze nieuwe Oreo-milkshake!”

→ Attention/Interest

“Extra romig met echte Oreo-stukjes.”

→ Interest

“Jouw perfecte ijskoude break.”

→ Desire

“Alleen deze week: haal hem nu voor €2,50.”

→ Action
Zelfstandig werken

1. Lees eerst de theorie goed (grijze gedeeltes in je boek)
2. Gebruik je markeerstift. Markeer alleen:
🟨 belangrijke begrippen & definities
🟨 stappen
🟨 dingen die je moet onthouden

Maak daarna:
  • paragraaf H3 §3.2 -  theorieopdrachten stencils 8 tot en met 10
  • Praktijkopdracht  H3: opdracht 6 ( blz. 241)
👉 Eerst lezen en begrijpen
👉 Daarna opdrachten maken

Slide 17 - Tekstslide

Tijdens zelfstandig werken

Voor basisleerlingen zou ik niet zeggen: “Markeer alles wat belangrijk is.” Dat wordt inderdaad vaak een halve gele bladzijde.

Geef liever deze instructie:

Markeer per stukje theorie maximaal drie belangrijke woorden.

En loop tijdens het werken langs met vragen als:

“Wat is hier het belangrijkste begrip?”
“Waar vind je het antwoord in de theorie?”
“Hoort dit bij voorbereiden, maken of presenteren?”
“Waarom is de doelgroep belangrijk?”
Zelfstandig werken

Klaar met een onderdeel?

✅ Pak het antwoordmodel bij de docent
✅ Kijk je antwoorden na
✅ Verbeter je fouten


👉 Eerst lezen & begrijpen → dan maken → daarna nakijken & verbeteren

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

STA OP!
Vier plekken in het lokaal zijn:

A – Attention
I – Interest
D – Desire
A – Action

Ik lees een reclameszin voor.

Loop naar de juiste plek.

Winactie of kortingsactie?
Nike of Adidas?
McDonald's of KFC?
Luxe uitstraling of opvallende felle kleuren?

Laat bij twee keuzes iemand kort uitleggen:

Slide 19 - Tekstslide

“Bestel vóór 20.00 uur!”
→ Action

“Wist je dat deze sneaker maar 180 gram weegt?”
→ Interest

“Nooit meer natte voeten.”
→ Desire

“STOP! Alleen vandaag 50% korting!”
→ Attention/Action

Bij twijfel: laat leerlingen hun keuze verdedigen.
Maak deze reclame beter
reclame:

“Wij verkopen rugzakken. Ze zijn verkrijgbaar in verschillende kleuren. Kom maar kijken.”

Werk 2 minuten in tweetallen.

Maak hem beter met AIDA.
Denk aan: Aandacht - Interesse - Verlangen - Actie

Slide 20 - Tekstslide

Samen oefenen
Reclame voor een nieuwe milkshake

Welke AIDA-stap is dit?

“Proef onze nieuwe Oreo-milkshake!”

→ Attention/Interest

“Extra romig met echte Oreo-stukjes.”

→ Interest

“Jouw perfecte ijskoude break.”

→ Desire

“Alleen deze week: haal hem nu voor €2,50.”

→ Action
PRAKTIJKOPDRACHT  
Ga naar blz. 241 – Praktijkopdracht 6.
Voer de opdracht uit volgens het boek.
Gebruik vandaag bewust: AIDA

Controleer tijdens het werken:

Hebben we aandacht?
Maken we nieuwsgierig?
Wordt het aantrekkelijk?
Is duidelijk wat de klant moet doen?

Slide 21 - Tekstslide

Tijdens zelfstandig werken

Voor basisleerlingen zou ik niet zeggen: “Markeer alles wat belangrijk is.” Dat wordt inderdaad vaak een halve gele bladzijde.

Geef liever deze instructie:

Markeer per stukje theorie maximaal drie belangrijke woorden.

En loop tijdens het werken langs met vragen als:

“Wat is hier het belangrijkste begrip?”
“Waar vind je het antwoord in de theorie?”
“Hoort dit bij voorbereiden, maken of presenteren?”
“Waarom is de doelgroep belangrijk?”
✍️Exitticket
AIDA-CHECK

Je maakt reclame voor een nieuwe snack in de schoolkantine.

Schrijf bij iedere letter één korte zin:

A – Hoe trek je aandacht?
I – Hoe maak je nieuwsgierig?
D – Waarom moet iemand hem willen?
A – Welke actie moet iemand ondernemen?

Slide 22 - Tekstslide

Belangrijk

Dit is een oefenmoment, geen presentatiebeoordeling. Zo houd je de drempel voor deze groep laag.